Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 14 mei 2019
[verzoeker] ,
Vetrago Transport B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1956, is op 25 maart 1991 in dienst getreden van Vetrago als [functienaam] . Hij was werkzaam als [functienaam] bij het bedrijfsonderdeel Transport in Gouda. Zijn laatstelijk verdiende salaris bedroeg € 2.584,93 bruto per maand. Hij werkte gemiddeld circa 48 uur per maand over.
- Vetrago houdt zich bezig met diverse soorten van transport. Vetrago is een van de bedrijfsonderdelen van Vetrago Beheer B.V. Bij Vetrago zijn in totaal vier werknemers in dienst.
- Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (TLN-CAO 2017-2020) van toepassing.
- In maart 2018 heeft [verzoeker] een rugblessure opgelopen doordat er een bout van de vrachtwagenstoel was gebroken. Hij heeft zich kort daarna ziek gemeld wegens rugklachten. Op 21 mei 2018 is [verzoeker] weer gaan werken.
- Op [datum] 2018 kreeg [verzoeker] de opdracht om met een vrachtwagen met laadkraan zes zakken grind te lossen bij een huis in [plaats] , dat gelegen is aan een smalle dijk met aan één kant van deze dijk hoge bomen en aan de andere kant begroeiing. De betreffende klant heeft [verzoeker] verzocht om één zak grind te lossen en om de andere vijf zakken ongeveer dertig meter verder op de dijk te lossen. Tijdens het verrijden van de vrachtauto naar de tweede losplaats is [verzoeker] met de laadkraan van zijn vrachtauto tegen een tak gereden, waardoor schade aan twee leidingen van de kraan is ontstaan.
- Na terugkomst op het bedrijf heeft Vetrago [verzoeker] naar aanleiding van dit gebeuren op staande voet ontslagen. Dit ontslag is bevestigd in de ontslagbrief van de advocaat van Vetrago van 7 juni 2018. Hierin is, voor zover thans relevant, vermeld:
“Op [datum] 2018 heeft cliënte u op staande voet ontslagen. Hierbij wordt het ontslag op staande voet bevestigd. Dat betekent dat uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang is beëindigd en [datum] 2018 de laatste dag van uw dienstverband is.Zoals cliënte reeds mondeling aan u heeft medegedeeld, ligt aan het ontslag op staande voet ten grondslag dat u op [datum] 2018 met een deels uitgevouwen kraan op de openbare weg heeft gereden, waardoor het voertuig hoger was dan 4 meter en u derhalve in strijd met de daarvoor geldende wettelijke regels heeft gehandeld. Daardoor heeft u een tak geraakt en de kraan zodanig beschadigd dat deze zonder reparatie niet meer kon worden gebruikt. Tevens heeft u herhaaldelijk gelogen over de toedracht. Ter toelichting dient het volgende.Op [datum] 2018 bent u in de uitoefening van uw werkzaamheden met een vrachtwagen met daarop een kraan naar een klant gereden om daar grind te lossen. Het lossen diende op twee locaties op het perceel van de klant plaats te vinden. Na het lossen van het eerste deel van de lading bent u over de openbare weg naar de tweede locatie gereden om de overige lading te lossen. Onderweg heeft u met de uitgevouwen kraan een tak die op ruim 5,5 meter hoogte hing geraakt, waardoor de schade aan de kraan is ontstaan.U heeft daarop de heer [X] gebeld om te vertellen dat u bij ‘het kranen’ schade aan de kraan had veroorzaakt. In dit gesprek heeft u de heer [X] voorgesteld om direct naar de reparateur te rijden om de schade te doen herstellen. De heer [X] heeft u echter de opdracht gegeven om terug naar kantoor te komen voor overleg. Nadat u op het kantoor was gearriveerd en de heer [X] de schade had geïnspecteerd, heeft hij u opnieuw gevraagd de gang van zaken toe te lichten. Toen erkende u dat het voorval niet tijdens het kranen was gebeurd, maar tijdens het rijden. Naar eigen zeggen had u de kraan niet achter de cabine – op de gebruikelijke plaats – ingevouwen, maar op de big bags met grind gelegd. U zei dat u ‘dacht dat het wel ging’. Ook dit verhaal kan niet juist zijn. De kraan gelegd op de big bags met grind steekt immers ruim lager dan 4 meter hoog en kan met het rijden dus geen takken raken. Cliënte heeft u daarop op staande voet ontslagen.Uit nader onderzoek en uit een verklaring van de klant waarbij u aan het lossen was, blijkt dat de tak die u heeft geraakt, op ruim 5,5 meter hoogte was. Indien u de kraan op de lading had gelegd, had de vrachtwagen lang geen hoogte van 5,5 meter bereikt. U had de tak dan niet kunnen raken. U heeft alleen de tak kunnen raken door de kraan uitgevouwen en omhoog te laten. (…)Door te gaan rijden met een uitgevouwen kraan die aanzienlijk hoger was dan 4 meter heeft u in strijd met de algemene gang van zaken bij cliënte en de wettelijke verplichtingen gehandeld. Cliënte beschouwt dit als bewust roekeloos handelen. Zij heeft hiervan schade ondervonden: niet alleen moet de schade aan de vrachtwagen worden gerepareerd, maar ook is cliënte genoodzaakt geweest om een extern bedrijf in te huren om de werkzaamheden van de beschadigde vrachtwagen te vervangen.”- De reparatiekosten voor de kraan bedroegen € 488,33.
- Ten tijde van de indiening van het inleidende verzoekschrift zijn partijen in onderhandeling getreden over een minnelijke regeling. Dit heeft niet tot een oplossing geleid. Bij brief van 17 augustus 2018 heeft de raadsman van Vetrago aan de gemachtigde van [verzoeker] een laatste schikkingsvoorstel gedaan, waaraan is toegevoegd:
“Indien uw cliënt niet akkoord is met bovenstaand voorstel, ziet zij (hof: Vetrago) zich ook gezien de financiële situatie van haar bedrijf genoodzaakt om het ontslag op staande voet in te trekken en uw cliënt in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden voort te zetten. Uiteraard zullen partijen dan eerst met elkaar in gesprek gaan om de afgelopen periode te bespreken. Daar kunnen wat cliënte betreft praktische afspraken over worden gemaakt.”[verzoeker] is hier niet op ingegaan.
primair: om het ontslag op staande voet te vernietigen, en om Vetrago te verplichten [verzoeker] toe te laten tot zijn werkzaamheden met doorbetaling van zijn loon;
subsidiair: veroordeling van Vetrago tot betaling van een billijke vergoeding van € 221.843,17 bruto, een vergoeding van € 14.312,46 bruto wegens onregelmatige opzegging, en een transitievergoeding van € 65.599,-- bruto;
meer subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet: veroordeling van Vetrago tot betaling van een transitievergoeding van € 65.599,-- bruto.
Vetrago heeft in haar verweerschrift in eerste aanleg een zelfstandig voorwaardelijk tegenverzoek gedaan, inhoudende dat voor zover de kantonrechter het primaire verzoek van [verzoeker] zou toewijzen, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] wordt ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a jo. 669 lid 1 en 3 sub e of g BW.
I. voor recht te verklaren dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] door Vetrago van [datum] 2018 geen dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW Pro ten grondslag ligt en/of dat er geen sprake is van een rechtsgeldig door Vetrago gegeven ontslag op staande voet met ingang van [datum] 2018;
II. Vetrago te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding in de zin van artikel 7:681 lid 1 BW Pro van € 114.456,54 bruto, met rente;
III. Vetrago te veroordelen in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (met wettelijke rente).
Deze grief slaagt. Het oordeel van de kantonrechter dat van een rechtsgeldige dringende reden voor het ontslag geen sprake was, brengt met zich dat Vetrago de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met de daarvoor geldende regels. Dit houdt in dat Vetrago ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoeker] .
Tot de omstandigheden van het geval behoort onder meer ook de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken. Voorts kan daartoe behoren – voor zover het om in de toekomst te derven loon gaat – of de redenen die de werknemer heeft om af te zien van vernietiging van de opzegging aan de werkgever zijn toe te rekenen.
Bij de vaststelling van de billijke vergoeding kan ook ermee rekening worden gehouden of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en voorts kan rekening worden gehouden met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, alsmede met de (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. Bij de vergelijking tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich thans bevindt, dient bovendien de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding en/of vergoeding wegens onregelmatige opzegging te worden betrokken.
Beslissing
in zoverre, alsmede rekening houdende met de wijziging van eis, opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] door Vetrago van [datum] 2018 geen dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW Pro ten grondslag ligt en dat er geen sprake is van een rechtsgeldig door Vetrago gegeven ontslag op staande voet met ingang van [datum] 2018;
- veroordeelt Vetrago tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 20.000,- bruto als billijke vergoeding in de zin van artikel 7:681 lid 1 BW Pro, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van deze beschikking tot de datum van algehele voldoening indien dit bedrag niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking is voldaan;