Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 mei 2019
[appellante] ,
[geïntimeerde] , tevens h.o.d.n. [naam],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Beslissing
- laat [geïntimeerde] toe tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling dat [appellante] in de periode van 23 juni 2015 tot en met 31 december 2015 in totaal (afgerond) 1.112 uur voor [geïntimeerde] heeft gewerkt, zoals door middel van een prikklok is geregistreerd op kaartjes waarvan [appellante] foto’s in het geding heeft gebracht;
- bepaalt dat, indien [geïntimeerde] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, op
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden juli tot en met oktober van 2019, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.