ECLI:NL:GHDHA:2019:1277
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bewijswaardering honorariumafspraken bij niet-incasseren Quivest-vordering
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellante, een advocaten-belastingkundigen kantoor, recht had op honorariumbetaling indien de vordering op Quivest niet succesvol werd geïncasseerd. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest waarin appellante was toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling van geïntimeerde dat alleen bij succesvolle incasso honorarium verschuldigd zou zijn.
Tijdens het getuigenverhoor verklaarde een getuige namens appellante dat er geen afspraken waren gemaakt over het niet succesvol incasseren en dat er geen vastlegging was van een mitigatie van het honorarium. De getuige van geïntimeerde verklaarde dat expliciet was afgesproken dat bij niet-incasseren geen betaling zou volgen. Het hof concludeerde dat appellante geen duidelijkheid had verschaft over de situatie van niet-incasseren en ook geen tussentijdse facturen had verstuurd.
Het hof oordeelde daarom dat geïntimeerde de afspraken zo mocht opvatten dat honorarium alleen bij succesvolle incasso verschuldigd was. De vordering van appellante werd afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.