Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellanten 1 t/m 13]
1.[de vader],
Grief 1 b, die er over klaagt dat de rechtbank onder 2.8 ten onrechte heeft vermeld dat [X] in augustus 2008 korte tijd in een algemeen ziekenhuis opgenomen is geweest na een overdosis slaapmiddelen, wordt verworpen. Dat appellanten van mening zijn dat het nemen van een overdosis slaapmiddelen door [X] moet worden aangemerkt als een suïcidepoging doet hier niet aan af; dit laatste staat, nu geïntimeerden dit gemotiveerd hebben betwist, tussen partijen niet vast.
Grief 1 c klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte onder 2.13 van haar tussenvonnis heeft vastgesteld dat de behandeling van [X] op 20 mei 2010 met instemming van behandelaars is geëindigd, en dat hij in oktober 2010 is uitgeschreven bij GGZ Rivierduinen. Deze grief slaagt in zoverre dat het hof in plaats daarvan vaststelt dat in het IGZ rapport uit september 2011 is vermeld (p. 8 en 12) dat [X] wisselend was in zijn therapietrouw wat betreft medicatie en contacten met de GGZ-hulpverleners, in welk kader zijn behandeling formeel werd afgesloten in oktober 2010. De medicamenteuze behandeling was in mei 2010 afgebouwd. In december 2010 is hem, op zijn verzoek, nog wel een recept verstrekt en op 8 februari 2011 is er nog een eenmalig contact geweest met een hulpverlener. Op dat moment waren er niet voldoende redenen om gedwongen hulpverlening in te zetten, terwijl een poging om [X] door te verwijzen naar forensische psychiatrie niet is gerealiseerd doordat [X] niet daadwerkelijk agressief was in combinatie met ontbrekende bereidheid bij [X] aan een dergelijke verwijzing gevolg te geven.
Grief 1 c is hiermee voldoende besproken.
i) de ouders hebben de zorgen die zij hebben gedeeld met de behandelaars naar aanleiding van [X] verzoek om een wapenverlof in oktober 2008 niet tevens gedeeld met de politie Hollands-Midden, terwijl daartoe alle aanleiding was.
Aanvulling: de ouders hadden het verleende wapenverlof ook aan de behandelaren moeten meedelen;
ii) vader heeft in strijd met zijn eigen wapenverlof en dat van [X] gehandeld door na te laten om tegen het verlof van [X] te protesteren.
Aanvulling: ook als het wapenverlof van [X] wordt weggedacht, heeft de vader van [X] in strijd met zijn eigen wapenverlof gehandeld;
iii) vader heeft in strijd met zijn eigen wapenverlof en dat van [X] gehandeld door, samen met [X], in één auto beider vuurwapens te vervoeren op weg naar en van de schietvereniging;
iv) hoewel in de America-brieven melding gemaakt werd van de dreiging dat [X] iedereen zou neerschieten, welke brieven in het bezit van de ouders zijn, hebben de ouders nagelaten de politie daarover te waarschuwen;
v) de aanschaf van diverse vuurwapens, munitie en een kogelvrij vest door [X] in de periode na zijn ontslag en kort voorafgaand aan het schietincident hadden de ouders moeten alarmeren. Bovendien heeft vader meebetaald aan de aankoop van de vuurwapens, terwijl hij bekend was met het gevaar van misbruik door [X]; en
vi) de aanschaf en het gebruik van het EVP had de ouders moeten alarmeren.
Aanvulling: de poging tot suïcide met slaapmiddelen in 2008 had de ouders ook moeten alarmeren, en dat geldt tevens – naar het hof begrijpt – voor de verschillende documenten die na het schietincident in de woning van de ouders zijn aangetroffen waarin [X] toespelingen heeft gemaakt op het schietincident, en de door hem geschreven afscheidsbrief en berichten die zijn gevonden op het EVP apparaat en die verwijzen naar zijn suïcide.
a) vader heeft gehandeld in strijd met zijn eigen wapenverlof door, samen met [X], in één auto beider vuurwapens te vervoeren op weg naar en van de schietvereniging;
b) vader heeft meebetaald aan de aankoop van de vuurwapens, terwijl hij bekend was met het gevaar van misbruik door [X].
Voor zover in grief 2 nog het verwijt is vermeld dat de ouders het mogelijk hebben gemaakt dat [X] over een wapenverlof kon beschikken en behouden, gaat het hof er bij gebreke van een nadere toelichting op dit punt van uit dat dit geen nieuw verwijt aan de ouders betreft naast de verwijten die zijn vermeld in r.o. 4 van dit arrest. Het is het hof onduidelijk op welk concreet actief handelen van de ouders dit verwijt ziet. Het in grief 2 eveneens genoemde verwijt dat de ouders de politie niet hebben gewaarschuwd ondanks signalen dat er gevaar met wapens dreigde te ontstaan, ziet niet op een actief handelen van de ouders maar op een nalaten.
Wat betreft het onder b) genoemde verwijt, overweegt het hof dat van onrechtmatige gevaarzetting sprake is als iemand een situatie in het leven roept die voor anderen, bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid, gevaarlijk is. Het meebetalen door vader aan door [X] gekochte vuurwapens, hetgeen door de ouders gemotiveerd is betwist, levert op zichzelf nog geen onrechtmatige gevaarzetting op. Wel kan het meebetalen door vader, indien juist, onder omstandigheden onrechtmatig zijn jegens derden, maar dit is alleen het geval als vader, zoals appellanten stellen en de ouders betwisten, op het moment dat hij dat deed bekend was met het gevaar dat [X] wapengeweld tegen derden zou aanwenden. De rechtbank heeft deze laatste vraag in haar tussenvonnis in r.o. 4.57, in samenhang met r.o. 4.12 – 4.34, ontkennend beantwoord. De beoordeling van dit oordeel komt aan de orde bij de bespreking van de grieven 6 tot en met 12 en grief 18.
Het hof overweegt dat uit (onder meer) het IGZ-rapport blijkt dat [X] in die tijd leed aan een slaapstoornis, hetgeen appellanten ook niet gemotiveerd hebben betwist. De ouders hebben onder ede verklaard dat de behandelaars van [X] er destijds van uit zijn gegaan dat de overdosis slaapmiddelen geen suïcidepoging betrof maar een onbedoelde overdosering bij de behandeling van de slaapproblemen die [X] ondervond. De behandelaars hebben toen ook geen aanleiding gezien om maatregelen te nemen, anders dan dat de ambulante behandeling nog meer op de slaapproblemen werd gericht. Het hof ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van de ouders te twijfelen. De enkele vermelding in het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat de GGZ-instelling ermee bekend was dat [X] in 2008 vrijwillig was opgenomen in een algemeen ziekenhuis vanwege een suïcidepoging wordt in het rapport niet nader toegelicht of onderbouwd. Onduidelijk is waarop deze vermelding is gebaseerd. Hetzelfde geldt voor de niet nader toegelichte vermelding in de Samenvatting TGO onderzoek dat [X] na 2006 twee zelfmoordpogingen heeft gedaan. Het hof hecht in dit verband meer waarde aan het IGZ-rapport, waarin niet wordt gerept van een suïcidepoging in 2008 maar (op p. 8) slechts wordt vermeld dat er in 2008 contact is geweest met de huisartsenpost in verband met inname van een te grote hoeveelheid slaapmedicatie, waarvoor [X] kort is opgenomen in het ziekenhuis. Als de inname van teveel slaapmedicatie door de GGZ als suïcidepoging zou zijn aangemerkt dan had het voor de hand gelegen dat dit uitdrukkelijk in het IGZ-rapport vermeld zou zijn, wat niet het geval is. Dat de ouders desondanks hadden moeten begrijpen dat het nemen van een overdosis aan slaapmiddelen door [X] in 2008 een suïcidepoging was, hebben appellanten onvoldoende onderbouwd. Grief 8 wordt verworpen.
“ik wil graag bij u komen maar ik durf ik niet, als strak hij of andere voormannen mijn naam hoort ik weet %1200 geef en ze mijn naam door [X], hij heeft pistool officieel bewijs heeft ook.”“Die jonge is psychopaat ziek geestelijk erg ziek als hij mijn naam hoort weet ik %100 hij zal probleem zorgen hij heeft pistool geen grapje dit is serieuze zaak.”“Denkt u maar u bent Politie, iemand van politiebureau waarschuwde mafia of de ene schuldige wat een rechtszaak is dat aub doe maar voorzicht politie.”Betoogd wordt dat gelet op deze citaten, en op het feit dat de ouders niet alle brieven van de America-schrijver hebben overgelegd, in combinatie met de diverse andere door appellanten genoemde signalen, de ouders er serieus rekening mee moesten houden dat [X] wapengeweld tegen derden zou aanwenden.
Grief 16 sluit hierbij aan, en klaagt er over dat r.o. 4.52 van het tussenvonnis van de rechtbank onbegrijpelijk is aangezien de ouders bevestigd hebben dat zij tijdens de ontslagprocedure tegen [X] de America-brief hadden gelezen.
- dat moeder de America-brieven heeft besproken met [X], die ontkende dat hij zich zo had gedragen en zei dat hij dacht dat een collega met wie hij het niet goed kon vinden de brieven had geschreven,
- dat [X] thuis geen vreemd gedrag had laten zien en ook geen dreigende uitlatingen had gedaan,
- dat de ouders de America-brieven aan de behandelaren van [X] ter beschikking hebben gesteld om hier kennis van te nemen en deze met [X] te bespreken, naar aanleiding waarvan de behandelaren geen aanleiding hebben gezien tot verderstrekkende maatregelen zoals bijvoorbeeld een (gedwongen) opname,
verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat op de ouders geen rechtsplicht rustte om naar aanleiding van de America-brieven de politie of andere instanties te waarschuwen.
- de informatie uit de America-brief;
- het feit dat de ouders wisten dat [X] de afspraken met zijn GGZ-behandelaren niet altijd nakwam;
- het feit dat de ouders wisten dat [X] ook in 2011 nog last had van psychotische verschijnselen in de vorm van het ‘aantikken’.
Dit alles was, aldus de toelichting op de grief, zoveel dat de ouders hadden moeten begrijpen dat [X] op korte termijn zou toeslaan waarbij hij sowieso zichzelf zou vermoorden, en mogelijk ook anderen zou vermoorden of letsel zou toebrengen, gelet op de documenten die door de recherche in de woning van de ouders zijn gevonden met toespelingen op het schietincident van 9 april 2011 en gelet op de suïcidepogingen van [X] in 2006 en 2008.
Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat de aankoop door [X] van een pistool, een revolver en een geweer de ouders destijds niet hoefde te alarmeren. Hierbij is van belang dat [X] deze aankopen niet tegelijkertijd heeft gedaan maar verspreid over een periode van ruim een jaar, en dat deze aankopen voor de ouders logisch verklaarbaar waren omdat hij lid was van een schietvereniging en de schietsport actief beoefende. Dat deze aankopen achteraf, met de kennis van nu, in een ander daglicht zijn komen te staan, betekent nog niet dat de ouders zich destijds hadden moeten realiseren dat [X] bezig was voorbereidingen te treffen voor het schietincident zoals dit op 9 april 2011 heeft plaatsgevonden.
Wat betreft de aanschaf door [X] van munitie kort voor de schietramp overweegt het hof dat dit de ouders niet kon alarmeren, aangezien – zoals de rechtbank heeft overwogen en in hoger beroep niet is bestreden – gesteld noch gebleken is dat de ouders van deze aanschaf op de hoogte waren.
Wat betreft de aanschaf van een kogelvrij vest staat (als niet weersproken) vast dat de ouders [X] hierop hebben aangesproken, omdat zij dat een onnodige aankoop vonden, waarop [X] heeft gezegd dat hij deze spullen hobbymatig verzamelde. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat die verklaring in het licht van de bij de ouders bekende affiniteit met de schietsport afdoende was en hen destijds niet hoefde te alarmeren. De stelling van appellanten dat de aankoop van een kogelvrij vest bij de gemiddelde Nederlandse burger behoorlijk wat vraagtekens oproept, wordt als te algemeen en onvoldoende onderbouwd verworpen. De aankoop van een kogelvrij vest door iemand die de schietsport als hobby heeft en bezig is daar omheen een verzameling aan te leggen, is logisch verklaarbaar en wijst er, zonder bijkomende omstandigheden die naar het oordeel van het hof ten aanzien van [X] niet zijn gebleken, niet op dat diegene plannen heeft om een schietpartij uit te voeren.
De inhoud van de America-brieven, het feit dat [X] zijn afspraken met zijn behandelaren niet altijd nakwam en het feit dat hij ook in 2010/2011 nog last had van (lichte) psychotische verschijnselen in de vorm van het ‘aantikken’ vormen geen omstandigheden die het hof brengen tot een ander oordeel. Ditzelfde geldt voor de documenten die door de recherche na het schietincident zijn gevonden in de woning van de ouders, aangezien niet aannemelijk is dat de ouders op de hoogte waren van deze documenten vóór het schietincident. Dat de overdosis slaapmiddelen in 2008 een suïcidepoging was is, zoals het hof reeds heeft overwogen, niet aannemelijk geworden.
De toelichting op grief 18 klaagt er over dat het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.57 dat ook als de ouders bijdragen zouden hebben geleverd aan de wapenaankopen van [X] dit zou passen in het beeld van een verzamelhobby, omdat zij in 2010-2011 geen wetenschap hadden dat wees op wapengeweld van [X], onjuist en onbegrijpelijk is, aangezien de ouders voldoende signalen hadden om tot handelen over te gaan. Als er pas tot handelen na (concrete) wetenschap wordt overgegaan, is het per definitie te laat, aldus appellanten.
De klacht in de toelichting op grief 18 dat dit laatste oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat de ouders voldoende signalen hadden op basis waarvan zij hadden moeten handelen, en dat concrete wetenschap van de ouders niet kan worden verlangd, kan evenmin slagen. Zoals in r.o. 9 van dit arrest is overwogen, is voor het eventueel aannemen van aansprakelijkheid van de ouders essentieel dat komt vast te staan dat de ouders voorafgaande aan het schietincident concrete kennis hadden van het bestaande of op handen zijnde gevaar dat [X] wapengeweld zou gebruiken tegen derden, zoals is gebeurd op 9 april 2011. Signalen zijn in dit verband uitsluitend relevant voor zover deze, op zichzelf of tezamen, zo duidelijk waren dat hieruit kan worden afgeleid dat bij de ouders, met de kennis van toen, concrete kennis van het gevaar aanwezig is geweest. Dergelijke signalen zijn niet aannemelijk geworden.
Deelverwijt (iii): eigen wapenverlof vader
i) de ouders hadden het verleende wapenverlof ook aan de behandelaren moeten meedelen;
ii) ook als het wapenverlof van [X] wordt weggedacht, heeft de vader van [X] in strijd met zijn eigen wapenverlof gehandeld;
vi) de suïcide poging in 2008 met slaapmiddelen had de ouders ook moeten alarmeren, en tevens – naar het hof begrijpt –de verschillende documenten die na het schietincident in de woning van de ouders zijn aangetroffen waarin [X] toespelingen heeft gemaakt op het schietincident, en de door hem geschreven afscheidsbrief en berichten die zijn gevonden op het EVP apparaat en die verwijzen naar zijn suïcide.
medeverzekerdehebben, maar uitsluitend voor de vordering die zij op
de ouders als verzekerdenpretenderen te hebben. Voor zover appellanten dat toch beoogd hebben, zouden zij – mede in het licht van artikel 7:954 lid 6 BW Pro – de nalatenschap van [X], de gezamenlijke erfgenamen, hebben moeten dagvaarden. Als juist is dat de ouders de enige rechtsopvolgers onder algemene titel zijn, zouden zij de ouders zowel in eerste aanleg als in appel mede hebben moeten dagvaarden in hun hoedanigheid van erfgenamen van [X], en zo een zelfstandige tweede grond aan hun vordering jegens verzekeraars ten grondslag hebben kunnen leggen. De ouders zijn echter niet in die hoedanigheid gedagvaard, zodat het ervoor moet worden gehouden dat appellanten geen rechtstreekse actie op de verzekeraars
als verzekeraar van [X] zelfhebben beoogd in te stellen. De rechtbank heeft dat miskend en is daarmee naar het oordeel van het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
1) verzoeken dat het hof zal bepalen dat de ouders in het kader van de op hen rustende verzwaarde stelplicht nog de volgende stukken zullen overleggen:
- afschrift van de America brief met NAW gegevens van de schrijver;
- bankafschriften van de ouders over de periode 30 januari 2010 t/m 8 april 2011 zijnde de periode waarin [X] diverse wapenaankopen en aanverwante aankopen deed; en
- afschrift van het (geanonimiseerde) ontslagdossier van [X].
Tevens wijzen appellanten er op dat zij niet beschikken over het volledige onderzoeksrapport van het recherche onderzoek naar de schietramp, met inbegrip van camerabeelden met daarop de schietpartij van [X] op 9 april 2011, de volledige aanvragen van de wapenvergunningen van [X] waaruit de betrokkenheid van de ouders zou kunnen blijken, een afschrift van de AVP polis die de ouders hebben afgesloten bij de in deze procedure betrokken verzekeraars, het GGZ dossier waarin de contacten, gesprekken en afspraken tussen de ouders en de GGZ aangaande [X] en diens wapenverlof(aanvraag) beschreven staan. Appellanten stellen dat de ouders wel over deze stukken beschikken, en dat zij gelet op de bewijsnood van appellanten in het kader van de op hen rustende verzwaarde stelplicht gehouden zijn deze over te leggen.
- zijzelf: over hun ervaringen tijdens het schietincident en hun schade;
- de ouders: over hun handelwijze in het kader van hun zorgplicht, waarom zij de politie niet hebben gewaarschuwd en wat zij hebben waargenomen aan signalen naar de aanloop van het schietdrama van 9 april 2011, welke kleding en wapens [X] droeg toen hij de woning verliet, of zij nog met hem hebben gecommuniceerd tot het moment dat hij zichzelf neerschoot, hoe laat het was toen de ouders de afscheidsbrief van [X] onder ogen zagen, hun financiële bijdragen voor de wapenaankopen van [X], hun wetenschap omtrent de verlofaanvraag in relatie tot hun wetenschap over de gezondheidstoestand van hun zoon, feiten in relatie tot mogelijke overtredingen van vader van de WWM onder andere doordat hij in één auto met [X] wapens vervoerde terwijl hij kon verwachten dat [X] hier misbruik van kon maken, over hoe het kan dat uit het IGZ rapport blijkt dat de behandelaren hebben overlegd over de vraag of zij iets konden met de wetenschap dat [X] een wapenverlof had aangevraagd terwijl de ouders zeggen dat de behandelaren hadden gezegd dat zij hier niets mee konden in verband met het medisch beroepsgeheim, over de daadwerkelijke gemoedstoestand van [X] in de periode voor het schietdrama, over hoe het kan dat vader heeft verklaard dat het in oktober 2008 goed met [X] ging terwijl uit de samenvatting resultaten Rijksrechercheonderzoek blijkt dat hij dat jaar suïcidepogingen had gedaan, over hoe lang voor het schietincident zij wisten over de door de recherche aangetroffen berichten op het EVP apparaat en de in hun woning gevonden documenten, over waar de telefoon van [X] is gebleven, over de inhoud van de door [X] gevoerde gesprekken en het sms-verkeer, over de aanvragen die vader heeft gedaan voor het verlengen van zijn eigen wapenverlof en of hij deze aanvragen heeft gedaan conform de vereisten van artikel 4:6 AWB Pro, wat zij weten over de levering op 8 april 2011 aan huis, of vader [X] behulpzaam is geweest bij zijn aanvragen voor een wapenverlof en de verlengingen daarna, of hij wisten dat [X] zijn collega’s zijn wapens heeft laten zien en waar dat gebeurd is, of de GGZ behandelaren hebben gelogen tegenover de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat zij niet hebben geweten dat [X] zelf een wapen in bezit had, waarom enkel met een bestuurslid van de schietvereniging is gesproken over de gedwongen opname in 2006 en niet tevens over de vrijwillige opname in 2008 in een algemeen ziekenhuis vanwege een suïcidepoging, of zij dit laatste doelbewust hebben verzwegen, of vader deze mededeling bewust niet heeft gedaan omdat hij bang was voor het afwijzen van het wapenverlof van [X] en het verliezen van zijn eigen wapenverlof, of zij bij huisbezoeken van verbalisanten in het kader van het wapenverlof van [X] met de verbalisanten hebben gesproken en welke mededelingen zij hebben gedaan over de geestelijke stoornis van [X], hoe vader kan bewijzen dat in 2008 geen sprake was van een suïcidepoging, hoe [X] is vervoerd naar het ziekenhuis, de naam van het ziekenhuis en op welke afdeling hij werd verpleegd;
- de buurvrouw: over wat zij zag toen [X] om 11.33 uur de woning verliet, of zijn kleding speciaal en afwijkend was, hoeveel wapens hij bij zich had, of zij in de periode november 2008-januari 2010 [X] heeft gezien met het al dan niet in een wapenetui vervoeren van wapens samen met vader, of [X] een kogelvrij vest aan had en munitie bij zich had, of zij wist dat [X] via zijn EVP met overleden mensen communiceerde, of zij [X] ooit heeft horen zeggen dat hij mensen zou neerschieten, of zij al dan niet als gevolg van een woordenwisseling en of geschreeuw thuis iets heeft opgevangen van gesprekken tussen [X] en zijn ouders voordat hij de woning verliet op 9 april 2011 rond 11.33 uur;
- Vivat en/of Reaal: over waarom de polis geen dekking biedt in het kader van de zorgplicht van de ouders, waarom de polis niet tevens dekking zou kunnen bieden voor het handelen van [X] aangezien hij een huisgenoot van hen was en een zeer sterke band met hen had;
- de heer [de assurantietussenpersoon] en de heer [naam] over de vraag of [X] was meeverzekerd onder de AVP polis van de ouders.
- aan providers van vaste en mobiele telefoons van de ouders van [X] te bevelen om de gesprekken uit te lezen die met [X] zijn gevoerd een week voor het schietdrama, 2 t/m 9 april te 12.15 uur 2011;
- een gerechtelijke plaatsopneming te houden in de woning van de ouders om vast te stellen of het mogelijk is geweest dat de ouders de deur niet hebben horen dichtgooien toen [X] de woning verliet;
- overlegging door alle geïntimeerden te bevelen van de WA Polis teneinde uitsluitsel te geven of [X] wel of niet op de polis van de ouders meeverzekerd was.
De ouders zijn reeds als getuige gehoord in het voorlopig getuigenverhoor, in het bijzijn van de advocaat van appellanten mr. Lalji die vragen aan hen heeft kunnen stellen. Voor het opnieuw horen van getuigen in hoger beroep is alleen aanleiding als appellanten aannemelijk kunnen maken wat deze getuigen nog meer of anders kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan. Hetgeen appellanten aanvoeren ter onderbouwing van hun verzoek om de ouders opnieuw te doen horen, voldoet niet aan deze eis. Het hof begrijpt uit de toelichting op het verzoek dat appellanten van mening zijn dat de ouders niet de waarheid hebben gesproken in hun verklaringen, en dat zij hen daarover nader willen bevragen. Dit is echter iets anders dan dat aannemelijk is geworden wat zij nog meer of anders kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan het horen van de buurvrouw als niet relevant achterwege blijven. Als zij gezien heeft dat [X] op 9 april 2011 de woning verliet, ook als dat met meerdere wapens en in al dan niet afwijkende kleding was, volgt daaruit nog geen wetenschap van de ouders van op handen zijnd gevaar dat [X] wapengeweld tegen derden zou gebruiken. Een verklaring van haar omtrent eerder vervoer van wapens, munitie, aan- of afwezigheid van wapenetuis en het dragen van een kogelvrij vest is niet relevant op grond van hetgeen hiervoor is overwogen.
Nu het hof van oordeel is dat de ouders niet aansprakelijk zijn voor de schade, en dat eventuele dekking van de aansprakelijkheid van [X] zelf onder de AVP-polis van de ouders in deze procedure niet aan de orde is, komt het hof niet toe aan een vaststelling van die schade. Het doen horen van appellanten zelf over wat hen is overkomen op 9 april 2011 en over hun schade, wat daarop ziet, moet dan ook achterwege blijven, omdat het niet bijdraagt aan de beoordeling of er aansprakelijkheid is. Het doen horen van Vivat, Reaal, [de assurantietussenpersoon] en/of [naam] heeft betrekking op de eventuele dekking van de aansprakelijkheid van [X] onder de AVP polis van de ouders. Hun verklaringen zijn echter, gelet op r.o. 49-51 van dit arrest, niet relevant voor de beoordeling van dit geschil.
Van enig bevel aan de providers van de telefoons van de ouders kan geen sprake zijn, reeds omdat deze providers geen partij zijn in deze procedure.
- veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot op heden vastgesteld op € 726,- aan griffierecht en € 3.222,- (3 punten tarief II) aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.