ECLI:NL:GHDHA:2019:1371
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming verhuizing minderjarige met eenhoofdig gezag vader
De vader en moeder zijn gescheiden ouders van een minderjarige geboren in 2014. Na het uiteengaan van de ouders woonde de minderjarige aanvankelijk bij de moeder in Groot-Brittannië, maar sinds mei 2016 bij de vader in Nederland. De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de vader toegekend. De vader verzocht om vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarige naar een andere provincie en inschrijving op een basisschool, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen.
De vader stelde dat financiële noodzaak en sociale redenen, waaronder het ondersteunen van zijn stiefmoeder na het overlijden van zijn vader, de verhuizing rechtvaardigden. De moeder verzette zich tegen de verhuizing, stellende dat het niet in het belang van de minderjarige was, onder meer vanwege de afstand en communicatieproblemen. De raad voor de kinderbescherming benadrukte dat het belang van het kind centraal moet staan en dat ouders hun geschillen samen moeten oplossen.
Het hof oordeelde dat hoewel de financiële noodzaak niet absoluut was, het sociale belang van de vader en het welzijn van de minderjarige zwaarder wogen. De minderjarige was inmiddels gewend aan de nieuwe woonplaats en school. De verhuizing zou het contact met de moeder niet onoverkomelijk bemoeilijken. Daarom vernietigde het hof de eerdere beschikking en verleende de vader vervangende toestemming voor de verhuizing en schoolinschrijving. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof verleent de vader vervangende toestemming om met de minderjarige te verhuizen en haar op een basisschool in de nieuwe woonplaats in te schrijven.