Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 18 juni 2019
[appellant],
1. de Staat der Nederlanden (het ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst),
2. Bureau Financieel Toezicht,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
4.4 (…) De notaris heeft gesteld dat klager voorafgaand aan het in 2015 verrichte onderzoek kennis droeg van het handelen of nalaten van de notaris in de jaren 2009 tot en met 2011, waarop de klachten betrekking hebben. Dit is echter naar het oordeel van de kamer niet voldoende onderbouwd, mede gelet op het op dit punt door klager gevoerde verweer. De notaris zegt wel dat klager alles al jaren geleden moet hebben geweten, maar het blijft bij vermoedens van zijn kant. Klager heeft diverse stellingen in dit kader gemotiveerd betwist.(…)4.6 De vervaltermijn van drie jaar is in dit geval naar het oordeel van de Kamer op grond van het voorgaande niet eerder gaan lopen dan vanaf het moment waarop het onderzoek van klager op 3 december 2015 is gestart. Geconcludeerd wordt daarom dat de voorliggende klacht op 14 juli 2017 binnen de vervaltermijn van drie jaar is ingediend en dat klager ontvankelijk is in zijn klacht. (…)”
Vordering in eerste aanleg en beslissing van de rechtbank
Grief 1komt op tegen het oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij zijn vorderingen.
Grief 2is gericht tegen het oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij een afschrift van (alle) onderzoeksresultaten van BFT.
Grief 1slaagt.
lex specialisten opzichte van art. 843a Rv. Daarnaast wijzen de Belastingdienst en BFT erop dat zij ingevolge art. 843a lid 3 Rv niet gehouden zijn om aan de vorderingen te voldoen. De gevorderde stukken zijn in hun bezit uit hoofde van respectievelijk de betrokkenheid bij de uitvoering van de belastingwet en het toezicht op het notariaat. Aan de vereisten van art. 843a lid 1 Rv is evenmin voldaan, omdat [appellant] geen rechtmatig belang heeft nu hij de stukken slechts vordert teneinde deze in te brengen in de klachtprocedure. Daarnaast bestrijden de Belastingdienst en BFT dat de aangehaalde bepalingen uit de Awb van toepassing zijn in de klachtprocedure en de onderhavige (civiele) procedure. De Belastingdienst en het BFT menen dat het aan de notariële tuchtrechter is om te beoordelen of hij naast de klacht en de daarbij gevoegde stukken zich nog aanvullend wil voorlichten, bijvoorbeeld aan de hand van aanvullende stukken. Ten slotte betwisten de Belastingdienst en BFT dat er naast de Brief tussen hen nadere correspondentie bestaat waarvan exhibitie kan worden gevorderd en maken zij bezwaar tegen de gevorderde dwangsom.
bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter’’) waarop [appellant] zich beroept, zijn van toepassing op een bestuurlijke rechtsgang en missen daarom toepassing in deze (civiele) procedure. Het hof zal de vorderingen (enkel) beoordelen op grond van art. 843a Rv.
Beslissing
Het hof
de Belastingdienst en BFT tot op heden begroot op € 726,-- griffierecht en € 3.222,-salaris advocaat, en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;