ECLI:NL:GHDHA:2019:1434
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
In hoger beroep heeft het Gerechtshof Den Haag de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen. De zaak betreft een eerder bewezenverklaarde opzettelijke overtreding van milieuregelgeving door een besloten vennootschap. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van relatieve illegaliteit omdat geen concreet uitzicht bestond op legalisatie van de situatie gedurende de bewezenverklaarde periode.
Het hof stelde vast dat het ontnemingsrapport en de bijbehorende financiële stukken onvoldoende aanknopingspunten boden om het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrouwbaar vast te stellen. De voorgestelde berekening was summier onderbouwd, zonder gebruik van definitieve jaarstukken en zonder onderzoek naar de fiscale eenheid en de verwerking van huur en verhuur van onroerend goed.
De verdediging had betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens termijnenoverschrijding, maar het hof verwierp deze verweren omdat de overschrijdingen relatief gering waren en geen nadelig effect voor de veroordeelde hadden.
Gelet op het tijdsverloop zag het hof geen aanleiding tot ambtshalve nader onderzoek. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam werd vernietigd en de vordering tot ontneming werd afgewezen. De overige verweren behoefden geen bespreking meer.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het voordeelbedrag.