Conclusie
Nummer21/02895 P
Het cassatieberoep
Het eerste middel
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep
Het beoordelingskader van het eerste middel
“Artikel 410
Artikel 416
:
De beoordeling van het eerste middel
dat ze nauwelijks aan de wettelijke eisen en in ieder geval niet aan de intentie van de wetgever voldoet”, [5] doet daaraan niet af. En anders dan de steller van het middel in de toelichting op het middel lijkt te betogen, is het hof binnen de grenzen gebleven van de beslissingsruimte die de wettelijke regeling geeft. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
Het tweede en het derde middel
in de periode van 20 november tot en met 23 november 2013 verdachte is geweest.” Het gaat daarbij dus om een andere, latere periode dan de periode waaraan de rechtbank zoveel waarde hecht. Dat betekent dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene degene is geweest die in de relevante periode van de versleutelde telefoon gebruikmaakte en de relevante berichten heeft gewisseld, terwijl die berichten de enige grond vormen waarop een ontnemingsbedrag van tonnen is gebaseerd. Uit het dossier volgen daarentegen juist aanwijzingen dat de betrokkene niet de gebruiker was van de telefoon.
en daar hebben we de man anderhalve ton gepakt”. Een de auditu-verklaring dus die niet door concrete feiten en omstandigheden wordt ondersteund en waarbij we niet weten over wie het gaat. De rechtbank gaat eraan voorbij dat in relatie tot het ‘binnentrekken’ gesproken wordt over ‘garnalenkotters’. Die zijn veel kleiner dan de kotters waarop de betrokkene vaart. Verder onderzoek is hiernaar nooit gedaan, betrokkene werd immers niet hiervoor vervolgd. Maar dat maakt het wel voor de betrokkene lastig zich daartegen nu in het kader van een ontnemingsprocedure te verweren. Op het moment dat in het gesprek wordt gezegd “
Nee die doet niet mee” gaat het volgens de rechtbank niet om de betrokkene maar iemand anders. Uit de context van het gesprek volgt nu echter juist dat degene die niet meedoet ‘de bolle’ is, de eigenaar van de auto. Dat was de betrokkene. In eerste aanleg is al opgemerkt dat niet eens vaststaat dat het gesprek over een wederrechtelijke gebeurtenis gaat. Er is geen enkel bewijs dat het om binnentrekken van verdovende middelen gaat.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2019 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplegen van een feit bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, een vervoermiddel en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit in de periode van 12 april 2012 tot en met 14 januari 2014, medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd in de periode van 20 augustus 2010 tot en met 11 november 2010, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III op 14 januari 2014, aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is op 24 november 2013 en medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van Pro de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd in de periode van 25 oktober 2012 tot en met 21 mei 2013.
4. Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman
Het Openbaar Ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ontnemingsvordering, omdat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zaken worden betrokken waarvoor het Openbaar Ministerie veroordeelde niet strafrechtelijk heeft vervolgd, hetgeen strijdig is met de beginselen van een goede procesorde. (…)
kan de conclusie getrokken worden dat [betrokkene 1] het heeft over veroordeelde en dat ze samenwerken om partijen binnen te halen. [betrokkene 1] zegt namelijk tegen [betrokkene 2] : “die kotter van hem en zijn broer zijn gewoon van zijn vader en die gaan alleen voor hele grote partijen de deur uit.”
[betrokkene 1] zegt weliswaar eerder in het gesprek“Nee die doet niet mee”
, maar gelet op de context van het gesprek is de rechtbank van oordeel dat daarmee niet veroordeelde maar zijn vader wordt bedoeld. Op basis hiervan is voldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde en [betrokkene 1] ieder een bedrag van € 150.000 hebben verdiend aan een ‘binnentrekkertje’ bij de Doggersbank.
Het beoordelingskader van het tweede en het derde middel
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
schattingvan de omvang van het voordeel dat afkomstig is uit de bewezen verklaarde delicten en/of de andere delicten. Volgens artikel 511f Sv dient die schatting namelijk wél te zijn gebaseerd op de wettige bewijsmiddelen die zijn opgesomd in artikel 339 Sv Pro, zij het dat ook dan de bewijsminimumregels en de bewijsstandaard van artikel 338 Sv Pro niet van toepassing zijn. [10]
presumptions of fact or of law”) [12] en dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het OM en de betrokkene. [13]
Following a final acquittal, even the voicing of suspicions regarding an accused's innocence is no longer admissible.” [19]
De beoordeling van het tweede middel
De beoordeling van het derde middel
en daar hebben we de man anderhalve ton gepakt”, de inbeslagname van de hiervoor bedoelde BMW met daarin aangetroffen een substantieel geldbedrag en cocaïne en de berichtenwisseling die op 23 november 2013 plaatsvond tussen de betrokkene en [betrokkene 1] , waaruit volgt dat geldbedragen moesten worden weggelegd voor de politie. In het vonnis wordt uitgelegd waarom het in het gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gaat over de betrokkene, en waarom de zinsnede “
Nee die doet niet mee” slaat op de vader van de betrokkene, en niet op de betrokkene zelf.
een strafzaakvan volle omvang al de hem ter beschikking staande verdedigingsrechten in te zetten teneinde aan te voeren dat hij onschuldig is aan de specifieke drugstransporten (feiten) waarvan het voordeel hem thans wordt ontnomen. Dat betekent echter niet, en daar verschillen de steller van het middel en ik met elkaar van mening, dat het hof daarmee de onschuldpresumptie geweld heeft aangedaan (of zoals de steller van het middel het noemt: het omzeilen van de Geerings-jurisprudentie faciliteert). Weliswaar is het karakter van de ontnemingsprocedure een andere dan die van de strafprocedure, ook de ontnemingsprocedure wordt, zoals gezegd, genormeerd door de onschuldpresumptie. En ook in die procedure behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de betrokkene die gelegenheid uitvoerig heeft gehad. Dat het OM er (uiteindelijk) niet voor heeft gekozen deze ‘andere feiten’ in de strafzaak ten laste te leggen, maakt dat (ook op deze plaats) niet anders.