ECLI:NL:GHDHA:2019:1872
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake betwisting geldleningsovereenkomst na beëindiging samenleving
Partijen hadden een affectieve relatie en woonden van juli 2015 tot februari 2016 samen. De vrouw maakte op 11 augustus 2015 € 15.000,- over aan de man en vorderde in deze procedure € 16.500,- terug, stellende dat dit bedrag geleend was. De man betwistte de lening en ontkende de handtekening onder het vermeende leencontract.
De kantonrechter wees de vordering af en veroordeelde de vrouw in de proceskosten. In hoger beroep voerde de vrouw aan dat partijen op 1 december 2015 een leen- en betalingsovereenkomst hadden opgesteld en ondertekend. De man stelde dat hij geen lening had afgesloten en dat de handtekening niet van hem was. Ook betwistte hij de echtheid van een WhatsApp-bericht dat de vrouw overlegde.
Het hof oordeelde dat de vrouw geen bewijsaanbod had gedaan om de handtekening te bewijzen, terwijl de man stellig ontkende te hebben getekend. De vrouw ging niet in op deze ontkenning. Het hof concludeerde dat niet vaststond dat een geldleningsovereenkomst was gesloten en dat de vordering faalde. Het bestreden vonnis werd bekrachtigd en de vrouw werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot terugbetaling van de vermeende lening af wegens onvoldoende bewijs.