Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 23 juli 2019
Pectore B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“2.4. De opdrachtgever is niet verplicht om gedurende de looptijd van deze overeenkomst, nadere overeenkomsten te sluiten, maar is daartoe gerechtigd. De adviseur kan derhalve generlei aanspraak maken op het sluiten van een of meer overeenkomsten gedurende de looptijd van deze raamovereenkomst dan wel enige vorm van compensatie of (schade)vergoeding wegens het uitblijven van nadere overeenkomsten.”
Totale afwijzing als voor deze onderdelen een onvoldoende wordt behaald”.Pectore heeft voor Grontmij het plan van aanpak geschreven en de casus uitgewerkt.
“Bevindingen
Grief Iis gericht tegen de overweging van de rechtbank dat vast staat dat Grontmij een onvoldoende heeft gescoord op onderdeel 4 van de casus en dat daarmee ook de ongeldigheid van de inschrijving van Grontmij vast staat. Pectore voert aan dat de gehele aanbestedingsprocedure volgens het RVB zelf blijkens de brief van 25 februari 2016 niet transparant en niet non-discriminatoir is geweest. De score van Grontmij wordt volgens Pectore door ditzelfde gebrek geraakt, zodat die score niet bij de beoordeling van het causaal verband kan worden betrokken. Bovendien is in de gunningsbeslissing van 29 oktober 2015 niet opgenomen dat de inschrijving van Grontmij ongeldig is. Dat mag dan niet later alsnog worden toegevoegd. De puntentoekenning is bovendien niet deugdelijk.
Grief IIkomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige daad en de schade ontbreekt. Volgens Pectore was een gunning aan Grontmij mogelijk geweest indien de onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure zich niet zouden hebben voorgedaan. De intrekking van de aanbesteding is daarom een gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat.
Grief IIIricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het RVB in de Leidraad expliciet heeft bedongen de aanbestedingsprocedure te kunnen intrekken en dat de gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Pectore voert aan dat haar relatie tot het RVB niet wordt beheerst door de aanbestedingsdocumenten, maar door de regels van onrechtmatige daad.
Croce Amica) heeft het Hof van Justitie immers de regel bevestigd dat de aanbestedende dienst niet slechts in uitzonderlijke gevallen van het plaatsen van een overheidsopdracht kan afzien en dat het besluit daartoe niet noodzakelijkerwijs op gewichtige redenen behoeft te berusten. Het Hof van Justitie heeft verder overwogen dat een besluit tot intrekking van de aanbesteding kan zijn ingegeven door redenen die met name verband houden met de beoordeling of uit het oogpunt van het algemeen belang opportuun is om een aanbestedingsprocedure te voltooien, onder meer gelet op het feit dat de economische context of de feitelijke omstandigheden dan wel de behoeften van de aanbestedende dienst zijn gewijzigd. Het overwoog verder dat aan een dergelijk besluit ook de vaststelling ten grondslag kan liggen dat het concurrentieniveau te laag was, gelet op het feit dat aan het einde van de procedure voor het plaatsen van de betrokken opdracht nog slechts één geschikte inschrijver geschikt bleek om deze uit te voeren.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 mei 2017;
- veroordeelt Pectore in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het RVB tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 3.222,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.