ECLI:NL:GHDHA:2019:2023
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na vergelijking met vergelijkingsobjecten en afwijzing beroep op gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende is eigenaar van een benedenwoning waarvan de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2017 is vastgesteld op €233.000. Hij betwist dat deze waarde te hoog is vastgesteld, mede in vergelijking met omliggende woningen. De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd waarin de waarde is bepaald via systematische vergelijking met vergelijkbare woningen in dezelfde staat van onderhoud.
De rechtbank heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en ook het hoger beroep is door het Gerechtshof afgewezen. Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat de vergelijkingsobjecten passend zijn gekozen en correct zijn vergeleken. De door belanghebbende aangevoerde verkoopprijzen en WOZ-waarden van andere objecten zijn niet geschikt om de waarde van zijn woning te verlagen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel faalt omdat de woningen niet identiek zijn en er geen sprake is van ongelijke behandeling met oogmerk van begunstiging. Ook is het verzoek om waardegegevens van een voormalig schoolgebouw afgewezen omdat dit pand niet als woning geldt en belanghebbende geen gerechtvaardigd belang heeft aangetoond.
Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar niet in gebreke is gebleven met het verstrekken van stukken en dat het Europeesrechtelijke verdedigingsbeginsel niet van toepassing is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €233.000 wordt bevestigd.