Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2019:2032

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2019
Publicatiedatum
2 augustus 2019
Zaaknummer
200.230.332/01 en 200.230.332/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 382 RvArt. 387 RvArt. 390 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping vervangende toestemming verhuizing minderjarigen wegens bedrog moeder

Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 17 juli 2019 de eerdere beschikking van 22 augustus 2018 herroepen waarin de moeder vervangende toestemming kreeg om met haar minderjarige kinderen naar een andere plaats te verhuizen en hen in te schrijven op een openbare basisschool daar.

De herroeping is gebaseerd op artikel 390 Rv Pro in combinatie met artikel 382 Rv Pro, waarbij het hof oordeelde dat de moeder bedrog had gepleegd door valse verklaringen van getuigen in te brengen ter staving van haar relatie, een belangrijke factor voor de eerdere toestemming. Dit bedrog werd niet weersproken en was pas na de uitspraak ontdekt.

Het hof constateerde dat de moeder nooit gebruik heeft gemaakt van de verleende toestemming en dat de relatie waarop zij zich baseerde inmiddels is beëindigd, waardoor de noodzaak tot verhuizing is komen te vervallen. Op grond hiervan bekrachtigde het hof de afwijzing van haar verzoek tot verhuizing en inschrijving.

Daarnaast veroordeelde het hof de moeder in de proceskosten van beide procedures, vanwege haar bedrog en het niet verschijnen ter zitting, waarbij de kosten werden vastgesteld op €4.620,-.

De beschikking is in het openbaar uitgesproken door de drie rechters en griffier.

Uitkomst: De herroeping van de eerdere toestemming tot verhuizing wordt uitgesproken en het verzoek van de moeder wordt afgewezen met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht
zaaknummers : 200.230.332/01 en 200.230.332/02
rekestnummer rechtbank : FA RK 17-707
zaaknummer rechtbank : C/10/519515

beschikking van de meervoudige kamer van 17 juli 2019

inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
voorheen advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans te Rotterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn beschikking van 22 augustus 2018 en van 17 april 2019, waarvan de inhoud hier telkens als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Bij beschikking van 22 augustus 2018 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en de moeder vervangende toestemming verleend om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats] . Voorts heeft het hof de moeder vervangende toestemming verleend tot inschrijving van de minderjarigen op de openbare basisschool “ [openbare basisschool] ” in [plaats] .
Bij beschikking van 17 april 2019 heeft het hof de onderhavige procedure op de voet van artikel 387 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heropend en bepaald dat de mondelinge behandeling van de heropende procedure op 12 juni 2019 wordt voortgezet.
De mondelinge behandeling is op 12 juni 2019 voortgezet. Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, met bericht van verhindering niet verschenen.
De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
Het verzoek tot herroeping
1. Ingevolge het bepaalde in artikel 390 Rv Pro kan een beschikking op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382 Rv Pro, tenzij de aard van de beschikking zich hiertegen verzet. Het rechtsmiddel herroeping vormt een uitzondering op de regel dat procedures een einde moeten hebben en dat een eenmaal – definitief – afgedane zaak niet opnieuw aan een rechter kan worden voorgelegd. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden wordt op deze regel een uitzondering gemaakt, doordat een procespartij gelegenheid krijgt een beschikking, die reeds in kracht van gewijsde is gegaan, aan te tasten. De gronden voor herroeping genoemd in artikel 382 Rv Pro zijn:
a. de beschikking berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;
b. de beschikking berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld;
c. een van de partijen heeft na de beschikking stukken van beslissende aard in handen gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
2. Het begrip “bedrog” dient ruim te worden uitgelegd. Van bedrog is reeds sprake wanneer een partij valse getuigenverklaringen uitlokt en feiten verzwijgt die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Daarnaast moet het bedrog eerst na de uitspraak zijn ontdekt. Daarvan is geen sprake indien het bedrog reeds tijdens de voorafgaande procedure is ontdekt of bij een redelijkerwijs van de bedrogene te verwachten onderzoek had kunnen worden ontdekt.
3. Het hof is van oordeel dat bedrog aan de zijde van de moeder kan worden aangenomen. De moeder heeft noch bij verweerschrift noch op de mondelinge behandeling weersproken dat de door haar in het geding gebrachte verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] vals zijn, en evenmin heeft zij weersproken dat deze valse verklaringen door haar zijn uitgelokt. Het hof overweegt voorts dat deze valse verklaringen door de moeder in het geding zijn gebracht ter staving van de door de moeder gestelde bestendigheid van haar relatie met [nieuwe partner moeder] , hetgeen voor het hof in de beslissing van 22 augustus 2018 een van belang zijnde factor is geweest om de verzochte vervangende toestemming tot verhuizing naar [plaats] te verlenen. Gelet op het vorenstaande zal het hof opnieuw het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om te verhuizen naar [plaats] dienen te beoordelen.
Vervangende toestemming om te verhuizen / inschrijving op de openbare basisschool “ [openbare basisschool] ”
4. In geschil is de vervangende toestemming tot verhuizing van de moeder met de minderjarigen naar [plaats] en de inschrijving van de minderjarigen op de openbare basisschool “ [openbare basisschool] ” in [plaats] .
5. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en de kinderen, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.
6. Het hof overweegt als volgt. Ter terechtzitting is het hof gebleken dat de moeder nimmer gebruik heeft gemaakt van de bij beschikking van 22 augustus 2018 van dit hof verleende vervangende toestemming om te verhuizen naar [plaats] dan wel om de minderjarigen in te schrijven op de school in [plaats] . De moeder is nog altijd met de minderjarigen woonachtig in [woonplaats moeder] en uit de door de vader overgelegde verklaring van [nieuwe partner moeder] is het hof gebleken dat de relatie tussen de moeder en [nieuwe partner moeder] inmiddels voorbij is. Het hof is van oordeel deze ontwikkelingen ertoe leiden dat de noodzaak voor de moeder om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats] is komen te vervallen. Het hof zal met herroeping van zijn beschikking van 22 augustus 2018 de bestreden beschikking, waarin het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing naar [plaats] is afgewezen dan ook – weliswaar op andere gronden – bekrachtigen.
Proceskosten
7. De vader verzoekt het hof om een proceskostenveroordeling jegens de moeder uit te spreken. Het hof ziet, gelet op het gepleegde bedrog in de eerdere appelprocedure en de proceshouding van de moeder in deze herroepingsprocedure, aanleiding haar te veroordelen in de proceskosten van de herroepingszaak en de onderhavige procedure. De moeder is, zowel in de herroepingszaak als in onderhavige procedure – met vlak voor de zitting een bericht van verhindering – niet ter terechtzitting verschenen. Evenmin heeft zij zich tot een advocaat gewend om voor haar verweer te voeren. Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om de moeder te veroordelen in de nodeloos gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de advocaatkosten uitgaande van het liquidatietarief, in beide zaken op 2 punten x tarief II, in hoger beroep vast op € 4.296,-, hetgeen totaal (inclusief griffierecht van € 324,-) € 4.620,- bedraagt.
8. Dit leidt tot de volgende beslissing.
DE BESLISSING
Het hof, beschikkende in het hoger beroep:
herroept de beschikking van dit hof van 22 augustus 2018;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover daarin de verzoeken van de moeder om vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen naar [plaats] en de minderjarigen op de openbare basisschool “ [openbare basisschool] ” in [plaats] in te schrijven, zijn afgewezen;
veroordeelt de moeder in beide zaken in de kosten van de procedure in hoger beroep, begroot op
€ 4.620,-;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Ibili, J.A. van Kempen en W. Burgerhart, bijgestaan door mr. Z. Vis als griffier en is op 17 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.