Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 februari 2019 (bij vervroeging)
[naam 1] ,
Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering,
Het geding in hoger beroep
De feiten en het geding bij de rechtbank
“13.1.4 Medewerkingsplicht
Sanctie bij niet nakomen van verplichtingen
alle verzekerdenniet in de laatste plaats die premies betalen om rechtsbijstand te krijgen, aangaat.
allerlaatste kansom dit af te wenden door alsnog en per direct met ons de volgende regeling te treffen:
helemaal en heel snelmis! Je loopt ook grote kans om strafrechtelijk vervolgd te zullen worden!
gelijkrechtsmaatregelen genomen worden, waaronder de desastreuze meldingen met keiharde feiten en bewijzen van alle misstanden bij de toezichthouders, en het openbaar publiceren hiervan.
De beoordeling van de grieven in het principale appel
in overleg met partijenbuiten hun aanwezigheid is opgemaakt. Daaruit volgt dat partijen bewust hebben afgezien van de mogelijkheid dat dit proces-verbaal in hun aanwezigheid werd opgesteld en daarmee van de mogelijkheid om ter zitting invloed uit te oefenen op de inhoud daarvan. Verder blijkt dat partijen vervolgens in de gelegenheid zijn geweest om evidente onjuistheden in het proces-verbaal – na ontvangst daarvan – per brief kenbaar te maken aan de rechtbank. Zowel [appellant] als SRK hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brieven van respectievelijk 11 april 2016 en 8 april 2016. Deze brieven bevinden zich in het procesdossier. Het hof is van oordeel dat deze gang van zaken geen schending vormt van fundamentele beginselen van procesrecht; dat op de zitting geen griffier aanwezig was maakt dat niet anders. Voor zover [appellant] met grief 2 wil betogen dat sprake is geweest van veronachtzaming van zulke fundamentele beginselen van procesrecht dat dit een integrale heroverweging van de zaak rechtvaardigt, slaagt de grief dus evenmin.
voorstellenvan de zijde van SRK: zo is in de email van 18 oktober 2017 vermeld “SRK is alleen geïnteresseerd in een totaaloplossing” en wordt gesproken van “een bod”. [appellant] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze voorstellen tot een vaststellingsovereenkomst tussen [appellant] en SRK hebben geleid. Er is ook geen getekende vaststellingsovereenkomst in het geding gebracht. Dat er mogelijk wel een concept-vaststellingsovereenkomst heeft bestaan, zoals van de zijde van [appellant] bij het pleidooi nog naar voren is gebracht, is niet relevant. Niet gebleken is immers dat een dergelijk concept tot een definitieve overeenkomst heeft geleid.
De beoordeling van de grieven in het incidentele appel
De proceskosten
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat SRK na de datum van dit arrest jegens [appellant] geen uitvoering meer behoeft te geven aan de verplichtingen die voor SRK voortvloeien uit de door de partner van [appellant] gesloten rechtsbijstandsverzekering met Aegon;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in reconventie in eerste aanleg, aan de zijde van SRK tot op 29 maart 2017 begroot op € 452 aan salaris;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van SRK tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.952 aan verschotten en € 3.222 voor salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest, indien de proceskosten dan nog niet zijn voldaan;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van SRK tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.61 voor salaris van de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat;