Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 20 augustus 2019
[verzoeker] ,
[naam] B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- Op tijd aan de zaak en om 7.00 uur bij de klant/op het werk; (…)
- Gemotiveerd de opgedragen werkzaamheden uitvoeren, je representatief gedragen richting opdrachtgevers en leidinggevenden aan de uit te voeren werkzaamheden en de collega’s waarmee jij samen het werk uitvoert; (…)
- Geen negatieve verhalen rondbazuinen;
- Je verantwoordelijk gedragen. (…);
U heeft gisteren ( [datum] 2018) [Y] op intimiderende wijze bedreigd, hier was een collega getuige van.
Wij hebben u regelmatig aangesproken op uw functioneren, dat helaas niet tot verbetering heeft geleid.
U bent wekelijks te laat, en wordt hier elke keer op aangesproken, ook dit heeft niet geleid tot verbetering van uw gedrag. Gisteren, [datum] 2018 was dit wederom het geval.
U houdt zich niet aan de voorgeschreven veiligheidsvoorschriften. In het arbeidsreglement is duidelijk opgenomen aan welke voorschriften u zich dient te houden. U heeft dit reglement ontvangen en kennis genomen van de inhoud. U heeft hiervoor getekend.
Wij zijn schriftelijk overeengekomen dat u geen negatieve verhalen over ons bedrijf zult rondbazuinen. Desondanks constateren wij dat u zich daar niet aan houdt.
De verdere beoordeling in hoger beroep
kop moest houden”(op [datum] 2018) en dat
“het afgelopen moest zijn”en dat hij [Y] de volgende keer voor zijn
“kop zou slaan”(op [datum] 2018).
geheel onterecht” van vrijwel alles de schuld krijgt
“gezien het feit dat wij geruime tijd hebben moeten werken met zeer onduidelijke en onvolledige tekeningen”. Daaraan is toegevoegd
“jammer, maar helaas”.Deze notulen zijn op dit punt naar het oordeel van het hof in strijd met het door [verweerster] verdedigde standpunt dat [verzoeker] begin juni 2018 vanwege disfunctioneren is teruggezet in de functie van [functienaam 2] . De e-mail van 27 augustus 2018 (r.o. 3.9) waarin [verweerster] enerzijds schrijft tevreden te zijn over de inzet en het werk van [verzoeker] als [functienaam 2] , maar anderzijds opmerkt dat hij daarvoor als ex- [functienaam 1] overgekwalificeerd is en te duur, duidt evenmin op (ernstig) disfunctioneren. Dit geldt ook voor de e-mail van 31 mei 2018 (r.o. 3.4), waarin [verweerster] [verzoeker] omschrijft als een prima vent met een positieve kijk op de wereld, die het belangrijk vindt om te werken aan een goede sfeer binnen bedrijf en een goed contact met zijn collega’s. Daaraan voegt [verweerster] toe dat [verzoeker] alles aanpakt en daarbij uitstekend zijn best doet.
wekelijkste laat is gekomen (in de periode voorafgaand aan het ontslag op staande voet). Enige rittenadministratie over de periode tussen 29 augustus en 4 oktober 2018 ontbreekt bovendien. Daarnaast heeft [verzoeker] gesteld dat hij een aantal dagen heeft gewerkt op de [straatnaam] . Volgens de door [verweerster] in hoger beroep overgelegde rittenregistratie zou hij daar te laat op het werk zijn gekomen, terwijl [verzoeker] stelt dat hij helemaal niet samen met zijn collega’s in de bus reisde, omdat deze locatie vlakbij zijn huis was. Uit de rittenregistratie blijkt dat dit gaat om 27-29 juni 2018. [verzoeker] stelt dat hij op deze data op de fiets naar het werk is gegaan. [X] heeft ter zitting bevestigd dat [verzoeker] vlakbij de [straatnaam] woont en dat het goed zou kunnen dat hij op die dagen rechtstreeks met de fiets naar het werk is gegaan. [verzoeker] heeft er verder op gewezen dat als een van zijn collega’s die mee moest rijden of zelf de bus moest chauffeuren te laat op de werf was, hij daarop moest wachten en daardoor ook te laat bij de opdrachtgever kon arriveren. [verweerster] heeft erkend dat de bus die voor het vervoer naar de opdrachtgever werd gebruikt soms door collega’s van [verzoeker] werd bestuurd en niet door [verzoeker] zelf. Ook heeft zij erkend dat er een team van drie personen in een bus zit. Bovendien heeft [X] verklaard dat in de periode nadat [verzoeker] zijn auto moest inleveren – dus na 30 juni 2018 – niet meer met zekerheid te zeggen valt wie de chauffeur van de bedrijfsauto was.
wekelijkshet geval was, terwijl dit wel de opgegeven reden voor het ontslag op staande voet is. Ook deze ontslagreden is dus onvoldoende onderbouwd door [verweerster] , op wie de bewijslast van de gestelde dringende reden(en) rust. [verweerster] heeft geen verder bewijs aangeboden van het wekelijks te laat komen van [verzoeker] . Het enige bewijs dat [verweerster] op dit punt heeft aangeboden is het horen van de getuige Van Seggelen, die volgens het bewijsaanbod zou kunnen verklaren dat [verzoeker] op 3 oktober 2018 te laat bij de klant aankwam en eerst koffie ging drinken. Ook als dit juist is, vormt dit geen bewijs voor de gestelde ontslagreden.
Beslissing
opnieuw rechtdoende: