Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 september 2019
2. Misty B.V.,
Bram Ladage Exploitatie B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1van [appellant 1] c.s. is gericht tegen rov. 2.5 van het bestreden vonnis. Blijkens de toelichting is het bezwaar van [appellant 1] c.s. tegen deze rechtsoverweging kennelijk dat de kantonrechter tot uitgangspunt neemt dat Bram Ladage Verse Patat B.V. (nieuw) de wederpartij van [appellant 1] c.s. bij de franchiseovereenkomst is (geworden). Volgens [appellant 1] c.s. bestaat de franchiseovereenkomst nog steeds tussen Misty en Ladage Exploitatie (voorheen: Bram Ladage Verse Patat B.V. (oud)) omdat Misty niet met een contractsoverneming van deze overeenkomst heeft ingestemd. Deze grief faalt omdat zij berust op een verkeerde lezing van rov. 2.5. In die rechtsoverweging stelt de kantonrechter slechts vast dat de allonge bij de franchiseovereenkomst is gesloten tussen (een vennootschap aangeduid als) Bram Ladage Verse Patat B.V. en [appellant 1]. Die feitelijke vaststelling steunt op de tekst van de allonge die is overgelegd als (onderdeel van) productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg. De kantonrechter neemt in rov. 2.5 geen standpunt in over de vraag wie de wederpartij van Misty bij de franchiseovereenkomst is (geworden).
grieven 2 tot en met 5komt [appellant 1] c.s. op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Misty niet de hoedanigheid van huurder of onderhuurder heeft verkregen. [appellant 1] c.s. stelt primair dat Misty met instemming van Ladage Exploitatie in de plaats is gesteld van [appellant 1] toen [appellant 1] zijn onderneming heeft ingebracht in Misty. Subsidiair stelt [appellant 1] c.s. dat een contractsoverneming heeft plaatsgevonden, waarbij Misty de huurovereenkomst met instemming van Ladage Exploitatie van [appellant 1] heeft overgenomen.
Grieven 6 tot en met 9zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Ladage Exploitatie de bedrijfsruimte dringend nodig heeft voor persoonlijk gebruik, zoals bedoeld in artikel 7:296, eerste lid onder b BW. Volgens [appellant 1] c.s. staat de rayonbescherming die hem toekomt op grond van de franchiseovereenkomst eraan in de weg dat Ladage Exploitatie in de bedrijfsruimte een snackbar volgens de Bram Ladage franchiseformule gaat exploiteren. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [appellant 1] c.s. naar rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 24 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2255). Daarnaast betoogt [appellant 1] c.s. onder meer dat Ladage Exploitatie niet zal kunnen voldoen aan de contractuele bepaling in de standaardfranchiseovereenkomst dat de franchisenemer dagelijks gedurende piektijden in de vestiging aanwezig moet zijn, gelet op de leeftijd van [A] (geboren op 10 april 1949). De exploitatieberekening van Ladage Exploitatie houdt volgens [appellant 1] c.s. geen rekening met de huur van de bedrijfsruimte en de overdracht van de onderneming, waarvoor [appellant 1] destijds fl. 2.600.000,- heeft betaald. Daarnaast heeft Ladage Exploitatie volgens [appellant 1] c.s. andere mogelijkheden om rendement te behalen, zoals een uitbreiding van de franchiseketen. [appellant 1] c.s. stelt ten slotte dat ook een belangenafweging op grond van artikel 7:296, derde lid BW niet in het voordeel van Ladage Exploitatie zou kunnen uitvallen.
Grief 10is gericht tegen de vaststelling van de einddatum van de huurovereenkomst door de kantonrechter. Volgens [appellant 1] c.s. had de kantonrechter bij de vaststelling van de einddatum niet moeten laten meewegen dat Ladage Exploitatie de huurovereenkomst op 9 december 2016 heeft opgezegd, aangezien Ladage Exploitatie zich bij haar opzegging op enkele dagen na aan de opzegtermijn heeft gehouden. Verder heeft [appellant 1] c.s. aangevoerd dat de kantonrechter er bij de vaststelling van de einddatum rekening mee had moeten houden dat de franchiseovereenkomst nog loopt tot 1 januari 2023, dat geen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is aangeboden en dat [appellant 1] c.s. eind 2015 nog € 90.000,- heeft geïnvesteerd in een
restylingvan de bedrijfsruimte.
restylingvan de bedrijfsruimte, reeds omdat [appellant 1] c.s. tegenover de betwisting door Ladage Exploitatie op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt of (voor zover het betreft de verhuis- en inrichtingskosten) nog gemaakt zullen worden. Ladage Exploitatie heeft het hof verzocht de einddatum vast te stellen op een datum die maximaal vijf maanden na de datum van dit arrest is gelegen. Mede in aanmerking genomen dat sinds de opzegging van de huurovereenkomst door Ladage Exploitatie inmiddels meer dan 2,5 jaar is verstreken, acht het hof het redelijk om [appellant 1] c.s. nog een termijn van vijf maanden te geven om zich op het eindigen van de huurovereenkomst voor te bereiden, en zal het hof de einddatum van de huurovereenkomst vaststellen op 1 maart 2020.
grief 11bestrijdt [appellant 1] c.s. de proceskostenveroordeling. Deze grief deelt het lot van de vorige grieven. Nu die grieven falen geldt dat de kantonrechter met juistheid de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft toegewezen en [appellant 1] als de in het ongelijk gestelde partij ten aanzien van Ladage Exploitatie in de proceskosten heeft veroordeeld.