Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 22 januari 2019
[appellant] ,
[geïntimeerde 1] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief Ivoert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vochtschade mede wordt veroorzaakt door de gebrekkige dakbedekking en de scheef liggende dakpannen van de garage.
Grief IIis gericht tegen het oordeel dat de dakgoot een bestanddeel is van het dak en niet van de muur. Omdat de dakgoot een bestanddeel is van de mandelige muur is de vordering tot betaling van de helft van de onderhoudskosten van de goot ten onrechte afgewezen.
Grief IIIbouwt daarop voort: omdat de dakgoot een bestanddeel is van de muur, is deze door natrekking gemeenschappelijk eigendom geworden van [appellant] en [geïntimeerden] Op [geïntimeerden] rustte derhalve een schadebeperkingsplicht, zodat zij het initiatief hadden moeten nemen om de dakgoot te herstellen.
Grief IVheeft betrekking op de gedeeltelijke afwijzing van de vordering in reconventie.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 september 2016;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 313,- aan griffierecht en € 2.685,- aan salaris advocaat.