ECLI:NL:GHDHA:2019:2504
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- E.A. Mink
- A.A.F. Donders
- M.Th. Linsen-Penning de Vries
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn in omgangsregeling minderjarigen
De vader stelde tijdig in hoger beroep te zijn gekomen tegen de bestreden beschikkingen van de rechtbank Den Haag die de omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen wijzigden. De moeder betwistte dit en stelde dat de vader reeds eerder kennis had van de beschikking, waardoor het hoger beroep te laat was ingediend.
Het hof overwoog dat de herstelbeschikking van 7 maart 2019 geen nieuwe beroepstermijn deed aanbreken en dat de beroepstermijn voor het hoger beroep op de beschikking van 23 januari 2019 op 23 april 2019 afliep. Omdat het hoger beroep van de vader na deze datum was ingediend, was het beroep buiten de termijn.
Hoewel de griffier de beschikking laat had verzonden, was er nog ruim voldoende tijd voor het indienen van het hoger beroep. Het hof oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren die verlenging van de beroepstermijn rechtvaardigden. Daarom verklaarde het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
De gecertificeerde instelling was niet langer belanghebbende omdat de minderjarigen niet langer onder toezicht stonden. De moeder was wel verschenen en had een verweerschrift ingediend. Het hof bevestigde dat de omgangsregeling geldt als een regeling ex artikel 1:253 lid 2 onder Pro a BW nu het toezicht was opgeheven.
De beslissing werd uitgesproken door drie raadsheren en griffier tijdens een openbare zitting op 11 september 2019.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.