Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 15 oktober 2019
[appellant],
Vereniging van Eigenaars [adres 1],
De procedure in hoger beroep
De feiten
Gedaagde partij (de VvE, toevoeging hof) zal Burgy benaderen in het kader van de offerte van 23 oktober 2012. Als uitgangspunt voor de reparatie van de goot geldt tussen partijen het volgende.
Het geschil
Door ondergetekende zijn in het pand van [appellant] een aantal duidelijke sporen van lekkage aangetroffen op de eerste verdieping van het pand.
De schade die is veroorzaakt door de lekkages betreft met name de beschadigingen van het stucwerk en het schilderwerk in de woningscheidende wand van de begane grond en de eerste verdieping van het pand van [appellant]. De andere aangetroffen schade, zoals de schade in de houten vloer ter hoogte van de deur in de achtergevel op de eerste verdieping en de schade in de vloerbalken van de eerste verdieping (zichtbaar in de ruimte op de begane grond), is naar de mening van ondergetekende niet veroorzaakt door de omschreven lekkages ter plaatse van de woningscheidende wand.
In de vraagbeantwoording zoals weergegeven in het deskundigenbericht d.d. 28 oktober 2015, hebben wij gesteld dat de lekkages in zeer kleine mate worden veroorzaakt door een aantal kleinere gebreken aan de goot en het dak van [appellant]. Een percentage aangeven is zeer arbitrair. Ondergetekende heeft geen objectieve maatstaven om een percentage te noemen. Men zou kunnen stellen dat een verhouding van 5 - tot 95% redelijk is edoch is deze verdeling zeer subjectief.”
De houten vloer is vervormd ver van de betreffende woningscheidende muur vandaan, namelijk bij de achterdeur. Mogelijk dat inwatering vanuit de deur de houten delen heeft doen zwellen. De afstand tot de scheidingsmuur was zodanig ver dat dit geen schadepost kon betreffen in onderhavige discussie. Nader onderzoek naar de daadwerkelijke oorzaak heeft dan ook niet plaatsgevonden.
Grief Iis gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde schadevergoeding wegens huurderving. [appellant] bestrijdt dat de vordering ter zake van huurderving in de periode van augustus 2007 tot 13 april 2008 is verjaard. Volgens [appellant] is de verjaring gestuit door zijn aanmaning van 7 augustus 2007. [appellant] komt verder op tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat de kunststichtingen vanwege de lekkages geen huur hebben betaald. De gederfde huur bedraagt volgens [appellant] € 587.328,-, berekend op basis van de met Ecliptica overeengekomen huur over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2018, geïndexeerd volgens de consumentenprijsindex en vermeerderd met wettelijke rente.
Grief IIvan [appellant] is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde schadevergoeding voor het herstel van de houten vloer en de vloerbalken, en de hoogte van de schadevergoeding toegekend voor het stuc- en schilderwerk. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat niet vast is komen te staan dat de schade aan de houten vloer en de vloerbalken veroorzaakt is door de lekkages. Verder stelt [appellant] dat ten minste twee keer stuc- en schilderwerk voor een bedrag van € 5.000,- nodig was, en komt hij op tegen de door de rechtbank toegepaste korting van 5% op de kosten van het stuc- en schilderwerk. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten aanzien van deze schadeposten ten onrechte het oordeel van de deskundige gevolgd. Hij verzoekt het hof zo nodig een nieuwe deskundige te benoemen.
Grief IIIis gericht tegen de kostenveroordeling.
Beoordeling van het hoger beroep
droge periode” is aangebroken (antwoordakte in hoger beroep, p. 4) en dat er in de jaren 2008 en 2009 minder lekkages zijn geweest, waardoor hij dacht dat het dak van het buurpand gerepareerd was en hij zijn pand te huur heeft aangeboden (memorie van grieven, 2.12). Uit een en ander leidt het hof af dat het pand van [appellant] in de periode van 1 augustus 2007 tot 1 augustus 2009 wel verhuurbaar was, maar [appellant] geen huurder heeft kunnen vinden. In ieder geval heeft [appellant] zijn stelling dat het pand in deze periode onverhuurbaar was vanwege de lekkages, niet voldoende onderbouwd.
redelijk en billijk deel huurprijs” vanwege het “
gedeeltelijk onbruikbaar zijn begane grond en 1e etage”.
aantal duidelijke sporen van lekkage aangetroffen op de eerste verdieping van het pand”. De overige door [appellant] aangewezen schades zijn volgens de deskundige niet het gevolg van de lekkages. Zoals het hof hierna zal toelichten (zie onder 22. en verder), volgt het hof in dit opzicht het oordeel van de deskundige. Verder wordt in het deskundigenbericht niets gezegd over een geur van vochtigheid of onnatuurlijke vochtigheid in het pand van [appellant]. In het proces-verbaal van de descente zijn daarvoor evenmin aanwijzingen te vinden. Het valt niet in te zien dat het pand van [appellant] enkel vanwege de sporen van lekkage op de eerste verdieping onverhuurbaar was. Ook met deze verklaringen heeft [appellant] dus niet het bewijs geleverd dat hij zijn pand als gevolg van de lekkages niet heeft kunnen verhuren.