Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest d.d. 20 augustus 2019
Het geding
De feiten
Het geschil
€ 353.359,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 18 januari 2014 tot de dag van volledige betaling. [de vrouw] is veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vorderingen van de executeurs in het incident, die strekten tot het treffen van een voorlopige voorziening, zijn afgewezen, waarbij de proceskosten in het incident zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De beoordeling
“Zwitserland af te handelen”en
“bob goed”is hiervoor echter geen enkele directe aanwijzing te vinden, zodat aan deze stukken geen betekenis toekomt. [de vrouw] heeft verder een algemeen, ongespecificeerd bewijsaanbod gedaan: met alle middelen rechtens, zo nodig middels het horen van getuigen. Ofschoon tegenbewijs vrij staat en [de vrouw] aldus niet gehouden is een gespecificeerd aanbod te doen, is het hof van oordeel dat het bewijsaanbod van [de vrouw] als niet ter zake dienend moet worden gepasseerd. Cruciaal in haar betwisting dat het saldo op de 118-rekening afkomstig is uit vermogen van erflater is immers haar stelling dat eind september 1983 een bedrag van HFL 240.000,-, dat zij heeft verworven met de verkoop van schilderijen, door erflater op een bankrekening bij de UBS-bank is gestort. Ten aanzien van dit bewijsthema heeft zij echter uitdrukkelijk aangegeven dat zij hiervan geen bewijs kán leveren (grief VII, randnummer 2). Dit blijkt ook uit de door haar overgelegde verklaring die zij bij de FIOD heeft afgelegd op 22 januari 2016 (productie 16 memorie van grieven). Gelet hierop moet haar bewijsaanbod als niet ter zake dienend worden aangemerkt omdat het geen betrekking heeft op het relevante bewijsthema. Haar stelling dat zij de 271-rekening heeft gevoed door een contante storting is in dit verband zonder betekenis omdat het gaat om de vraag uit wiens vermogen het geld afkomstig is.