Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 3 december 2019
[naam B.V.] Vastgoed B.V.,
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
Het verdere geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
eerste griefheeft [naam B.V.] , voor het eerst in hoger beroep, bij gebrek aan wetenschap bestreden dat [geïntimeerde 2] een verstandelijke beperking heeft en aan epilepsie lijdt.
diffuse encefalopathie met een lichte mentale retardatie en cryptogene gegeneraliseerde epilepsie met lichtflitsgevoeligheid, waarvan de laatste aanvallen in 1978 waren”. Het hof begrijpt hieruit dat [geïntimeerde 2] een aandoening aan de hersenen en een (lichte) geestelijke achterstand heeft en daarnaast aan epilepsie lijdt. De maatschappelijk werker schrijft dat [geïntimeerde 2] bij de polikliniek onder behandeling is voor epilepsie en dat daarnaast sprake is van een verstandelijke beperking. De maatschappelijk werker heeft [geïntimeerde 2] telefonisch gesproken en toen heeft [geïntimeerde 2] medegedeeld, dat zij zelf de financiën beheert en ook die van haar moeder, dat dat goed gaat, dat haar zus inspringt als dat anders is en dat deze een oogje in het zeil houdt.
tweede griefkomt [naam B.V.] op tegen het oordeel dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Volgens de toelichting op deze grief gaat het [naam B.V.] in deze grief met name om de overwegingen van de rechtbank betreffende de financiën van de huishouding. Volgens [naam B.V.] kan uit het beperkte en bewust gekozen aantal bankafschriften, zes van de moeder verdeeld over vijf jaar en negen van de dochter verdeeld over tien jaar, niet geconcludeerd worden dat geen sprake is van gescheiden huishoudens die onder één dak wonen oftewel: [naam B.V.] betwist dat sprake is van een gemeenschappelijk huishouden en stelt dat ook sprake kan zijn van gescheiden huishoudens.
derde griefziet. In de toelichting daarop voert [naam B.V.] onder meer aan, dat de kwalificatie duurzaam een verwachting inhoudt ten aanzien van de toekomst. Hier gaat het erom dat de moeder ervoor wil zorgen dat de woning op de dochter overgaat wanneer de moeder naar het verzorgingshuis moet of zou overlijden. En, zo voegt [naam B.V.] toe, een verzoek tot medehuurderschap is niet bedoeld om ten behoeve van een situatie die verandert een voorziening af te dwingen, maar het verzoek is bedoeld om een verhouding die duurzaam is en naar verwachting zal blijven vast te leggen.
de vierde griefheeft de rechtbank ten onrechte niet geoordeeld dat hier sprake is van strijd met de anti-misbruikregeling. [naam B.V.] verwijst hierbij naar art. 7:269, lid 2 BW. [naam B.V.] stelt dat de vordering moet worden afgewezen als de kennelijke strekking ervan is om de samenwoner op korte termijn de positie van huurder te verschaffen. Dat dit laatste het geval is, leidt [naam B.V.] af uit de stelling van [geïntimeerde 2] c.s. dat zij de vordering heeft ingesteld om te voorkomen dat de dochter op straat komt te staan als de moeder naar een verzorgingstehuis moet of komt te overlijden.
vijfde griefheeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat het belang van [geïntimeerde 2] om als medehuurder te worden aangemerkt zwaarder dient te wegen dan het belang van [naam B.V.] bij handhaving van de huidige situatie, waarin alleen de moeder als huurder geldt. [naam B.V.] meent dat haar belang zwaarder moet wegen.
incidentele griefdaartegen gericht. [geïntimeerde 2] c.s. stelt dat art. 7:267 BW Pro geen ruimte biedt voor een belangenafweging.
de zesde griefbetoogt [naam B.V.] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medehuurderschap ingaat op de datum van het vonnis. Volgens haar gaat het om een declaratoire uitspraak die niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.
zevende griefheeft betrekking op de proceskostenveroordeling en mist zelfstandige betekenis. Zij volgt het lot van de eerdere grieven.
Beslissing
- bekrachtigt het bestreden vonnis d.d. 3 februari 2017 van de kantonrechter te Rotterdam, locatie Rotterdam;
- veroordeelt [naam B.V.] in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 2] c.s. tot op heden bepaald op € 313,- aan griffierecht en op € 1.074,- aan salaris voor de advocaat.