Art. 420bis SrArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 24 SrArt. 33 Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep witwassen en verboden wapenbezit met verdiscontering redelijke termijn
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens witwassen van €182.710 en het bezit van zes pistoolmitrailleurs, 173 kogelpatronen en een geluiddemper. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.
De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie aan en stelde bewijsuitsluiting voor vanwege onrechtmatige aanhouding, onbetrouwbare politieverslagen en schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof oordeelde dat de aanhouding en doorzoekingen onrechtmatig waren, maar dat dit niet leidde tot bewijsuitsluiting omdat het bewijs niet rechtstreeks uit deze onrechtmatigheden voortkwam. Ook werd het gelijkheidsbeginsel niet geschonden.
Het hof achtte bewezen dat de verdachte zich schuldig maakte aan witwassen en verboden wapenbezit. Gelet op de ernst van de feiten, waaronder het grote geldbedrag en het gevaarlijke wapenbezit, legde het hof een gevangenisstraf van 3 jaar en 8 maanden op. Hierbij werd de overschrijding van de redelijke termijn in de strafmaat verdisconteerd. Tevens werd het grootste deel van het in beslag genomen geld verbeurd verklaard, met uitzondering van €500 die werd teruggegeven.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar en 8 maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring van €182.170.
Uitspraak
Rolnummer: 22-004232-17
Parketnummer: 10-730112-16
Datum uitspraak: 13 november 2019
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
[geboorteplaats] op [geboortedag],
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op
1 november 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de in beslag genomen geldbedragen als nader in het vonnis vermeld.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 14 september 2016, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- van een of meer geldbedrag(en), te weten (in totaal) 182.710 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het geldbedrag(en) was/waren, en/of
- een of meer geldbedrag(en), te weten (in totaal) 182.710 euro, heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of gebruikt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;
2.
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 CategoriePro II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Ero Uzi, kaliber 9 mm en/of
- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Overig R9-Arms, kaliber 9 mm en/of
- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Cz 61 (Skorpion), kaliber 7.65 mm en/of
- 3 vuurwapens in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Zastava 84 (Skorpion), kaliber 7.65 mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onderPro 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 vanPro die wet, van de categorie III, te weten
- 42 kogelpatronen van het merk/type diverse kogelpatronen, kaliber 9 mm en/of
- 131 kogelpatronen van het merk/type diverse kogelpatronen, 7.65 mm voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 CategoriePro I onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een (automatisch) vuurwapen (te weten een Ero Uzi), voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag ad. € 182.170,- verbeurd zal worden verklaard en dat ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag ad. € 500,- de teruggave aan de verdachte zal worden gelast.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaan-tekeningen betoogd dat het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, althans dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.
De raadsvrouw heeft – samengevat – aangevoerd dat de verslaglegging van de politie elementen van valsheid behelst althans niet betrouwbaar is en dat, gelet op de verzuimen, nadelen en schendingen in het kader van het staande houden en de vermeende verdenking tegen de verdachte, het betreden van het appartement, gelegen aan de Gedempte Zalmhaven 649 te Rotterdam, alsmede het doorzoeken van dit appartement en de Citroën C3, geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, nu aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde witwassen geen transactie is aangeboden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte en zijn medeverdachte zijn op
14 september 2014 door politiefunctionarissen van de politie-eenheid Rotterdam aangehouden op verdenking van witwassen nadat zij in het kader van een preventieve fouilleeractie waren staande gehouden, ter plekke waren gefouilleerd en de Peugeot 208 waarin zij zaten was doorzocht.
De verdediging heeft betoogd dat er in het politiedossier verschillende malen sprake is van valsheid in althans onbetrouwbaarheid van de verslaglegging door politieambtenaren met betrekking tot de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van de door de politie gestelde verdenking dat de verdachte zich aan witwassen schuldig zou hebben gemaakt. De verdediging heeft hierbij met name gewezen op tegenstrijdigheden in de verslaglegging met betrekking tot het moment waarop bij de verdachte een bedrag van € 500,- is aangetroffen en in beslag is genomen.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat er met betrekking tot het in beslag nemen van vorenbedoeld geldbedrag inderdaad sprake is van een onzorgvuldige, gebrekkige, deels tegenstrijdige en daarmee onbetrouwbare verslaglegging in de diverse door politieambtenaren ter zake opgemaakte stukken. Dat in het onder nummer
PL1700-2016301756-8 op 15 september 2016 opgemaakte proces-verbaal opzettelijk in strijd met de waarheid is gerelateerd dat dat geldbedrag reeds ten tijde van de preventieve fouillering bij de verdachte is aangetroffen, is evenwel niet aannemelijk geworden, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat door vorenbedoelde wijze van verslaglegging doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is tekortgedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.
Met de verdediging is het hof ook van oordeel dat de feiten en omstandigheden, die bekend waren nadat de preventieve fouilleeractie had plaatsgevonden en die zijn weergegeven in voornoemd proces-verbaal onder nummer PL1700-2016301756-8, geen redelijk vermoeden opleverden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen dan wel aan enig ander strafbaar feit. De aanhouding van de verdachte was dan ook onrechtmatig. Dat impliceert echter nog niet dat dientengevolge geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet, terwijl in het kader van het gevoerde verweer voorts heeft te gelden dat het bewijsmateriaal niet rechtstreeks ten gevolge van de onrechtmatige aanhouding is verkregen.
Het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit heeft tevens tot gevolg dat ook het betreden en doorzoeken van het appartement aan de Gedempte Zalmhaven 649 – een huurappartement - en het openen en doorzoeken van de kofferbak van de Citroën C3 – een huurauto - onrechtmatig zijn geweest. De verdachte was echter noch de huurder, noch de bewoner van genoemd appartement. De verdachte was evenmin de huurder dan wel de vaste gebruiker van genoemde auto. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat het appartement van een vriend was, dat hij – verdachte – daar niet woonde en daar ook nog nooit een nacht had geslapen, maar dat hij wel eens in het appartement kwam om met vriendinnen te chillen. Aangaande de Citroën C3 heeft hij toen verklaard dat hij die auto sinds een paar dagen van een vriend had geleend, dat hij, die vriend en nog een ander die auto “een beetje” gebruikten en dat daar geen bepaalde afspraken over waren gemaakt. Het is dan ook niet de verdachte geweest die door het onrechtmatig betreden en doorzoeken van het appartement aan de Gedempte Zalmhaven 649 en door het onrechtmatig openen en doorzoeken van de kofferbak van de Citroën C3 is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.
Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat bij de aanhouding van de verdachte, het betreden en doorzoeken van het appartement aan de Gedempte Zalmhaven 649 en het openen en doorzoeken van de kofferbak van de Citroën C3 vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld, zonder dat daaraan enig rechtsgevolg wordt verbonden.
Waar het tenslotte de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, overweegt het hof dat de verdediging ter zake, naar de kern bezien, uitsluitend heeft gesteld: “Hoe willekeurig het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie is moge worden geïllustreerd met al die miljoenen die worden aangetroffen in panden en op straat, die niet bij de rechtbank worden aangebracht en vaak met transacties worden afgedaan”. In de onderhavige zaak wordt de verdachte niet alleen verdacht van witwassen van een groot geldbedrag dat op 14 september 2016 is aangetroffen in het appartement aan de Gedempte Zalmhaven 649, maar ook van het voorhanden hebben van onder meer een zestal pistoolmitrailleurs en een aanzienlijke hoeveelheid munitie, welke vuurwapens en munitie diezelfde dag zijn aangetroffen in de kofferbak van een Citroën C3 die stond geparkeerd in de bij het betreffende appartementencomplex behorende parkeergarage. Gelet hierop en gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden dat in het onderhavige geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
Al hetgeen hiervoor is overwogen, leidt het hof tot de conclusie dat de verweren, primair strekkende tot
niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte, subsidiair strekkende tot bewijsuitsluiting geen doel treffen en mitsdien worden verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 14 september 2016, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- van een of meer geldbedrag(en), te weten (in totaal) 182.710 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op de/het geldbedrag(en) was/waren, en/of
- een of meer geldbedrag(en), te weten (in totaal) 182.710 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeftgehad en/of overgedragen en/of gebruikt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;
2.
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 CategoriePro II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Ero Uzi, kaliber 9 mm en/of
- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Overig R9-Arms, kaliber 9 mm en/of
- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Cz 61 (Skorpion), kaliber 7.65 mm en/of
- 3 vuurwapens in de zin van artikel 1 onderPro 3 van die wet in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk/type Zastava 84 (Skorpion), kaliber 7.65 mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onderPro 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 vanPro die wet, van de categorie III, te weten
- 42 kogelpatronen van het merk/type diverse kogelpatronen, kaliber 9 mm en/of
- 131 kogelpatronen van het merk/type diverse kogelpatronen, 7.65 mm, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 CategoriePro I onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voor een (automatisch) vuurwapen (te weten een Ero Uzi), voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:
1.witwassen;
2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd (wapens)
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, (munitie);
3.handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van ruim € 180.000,-. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert een dergelijk delict het plegen van andere delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.
Daarnaast heeft de verdachte 6 pistoolmitrailleurs, 173 kogelpatronen en een geluiddemper voorhanden gehad.
Dergelijk bezit verdient bestraffing, nu daarmee een groot veiligheidsrisico is gemoeid, vuurwapens dikwijls ook daadwerkelijk worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten of eigenrichting en de gevoelens van onveiligheid in de samenleving aldus worden aangewakkerd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, aangezien het hoger beroep namens de – toen nog preventief gedetineerde – verdachte op
2 oktober 2017 is ingesteld en onderhavig arrest eerst op 13 november 2019 wordt gewezen. Het hof zal deze overschrijding in de strafmaat verdisconteren en in plaats van voormelde gevangenisstraf voor de duur van vier jaren een gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.
Beslag
Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 182.170,- is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met betrekking tot dit geldbedrag het onder 1 bewezen verklaarde is begaan en niet is kunnen worden vastgesteld aan wie dit geldbedrag toebehoort. Het hof zal dit geldbedrag dan ook verbeurd verklaren.
Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van
€ 500,- zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 3 (drie) jaren en 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van € 182.170,-.
Gelast de teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van € 500,-.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, mr. L.A.J.M. van Dijk en mr. H.P.Ch. van Dijk, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 november 2019.
Mr. L.A.J.M. van Dijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.