Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 december 2019
[naam] ,
[X] Vastgoed B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
a. Tussen partijen is in geschil of [appellant] (met zijn zuster [zuster] ) een huurovereenkomst is aangegaan met [X Vastgoed] en of hij aansprakelijk is voor de verschuldigde huurpenningen.
bekend was met de omstandigheid dat [X Vastgoed] doende was het vonnis ten uitvoer te leggen. In elk geval was hem dat duidelijk toen op 27 september 2017 voor de eerste keer een bedrag op zijn salaris werd ingehouden in verband met het gelegde derdenbeslag. Onder die omstandigheden had [appellant] voldoende gelegenheid om tijdig verzet in te stellen en (verdere) tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te beletten. Hij wist immers reeds weken voor de eerste periodieke betaling op grond van het derdenbeslag, en daarmee voor aanvang van de verzettermijn op 27 september 2017, van het vonnis en de globale inhoud daarvan.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 september 2018;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [X Vastgoed] tot op heden begroot op € 1.978,- aan verschotten en € 1.391,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.