ECLI:NL:GHDHA:2019:3199
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging vaststellingsovereenkomst bij gezinsschade na overlijden vader
Appellante, moeder en wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, kwam in hoger beroep tegen een kantonrechterlijke beschikking die haar machtigde een vaststellingsovereenkomst te sluiten met een WAM-verzekeraar over een schadevergoeding van €35.775,- na het overlijden van de vader van de minderjarige bij een verkeersongeval.
De vaststellingsovereenkomst betrof een gezinsschade waarbij de schade van appellante en de minderjarige gezamenlijk werd berekend. De kantonrechter had bepaald dat het bedrag op een bankrekening met een BEM-clausule op naam van de minderjarige moest worden gestort. Appellante betwistte dit en voerde aan dat de volledige schadevergoeding aan het gezin toekwam en dat de machtiging onjuist was verleend.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter bevoegd is aanwijzingen te geven over de wijze van bewaring van gelden, waaronder het gebruik van een BEM-clausule, om de belangen van de minderjarige te beschermen. Tevens concludeerde het hof dat in de berekening van de schade geen rekening was gehouden met mogelijke schade na het bereiken van de meerderjarigheid van de minderjarige, waardoor het belang van de minderjarige onvoldoende was gewaarborgd.
Daarom vernietigde het hof de beschikking van de kantonrechter en wees het verzoek om machtiging af. Het hof benadrukte dat de bescherming van de belangen van de minderjarige voorop staat bij het verlenen van machtigingen voor het aangaan van vaststellingsovereenkomsten.
Uitkomst: Het hof vernietigt de machtiging en wijst het verzoek om machtiging af wegens onvoldoende bescherming van de belangen van de minderjarige.