ECLI:NL:GHDHA:2019:3147
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verzekeraar tot belanghebbende bij machtiging vaststellingsovereenkomst minderjarige
In deze civiele procedure stond het hoger beroep centraal tegen een machtiging verleend door de kantonrechter aan de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige om een vaststellingsovereenkomst aan te gaan. De vaststellingsovereenkomst betrof een schadevergoeding van € 35.775,- die moest worden gestort op een bankrekening met een BEM-clausule.
De verzekeraar verzocht om als belanghebbende te worden toegelaten in het hoger beroep, omdat zij meende dat zij door de uitkomst van de procedure in haar eigen belang geraakt zou worden. Zij stelde verantwoordelijk te zijn voor de juiste betaling en bescherming van het schadebedrag en wilde voorkomen dat de schadevergoeding zou worden aangevochten.
Het hof oordeelde echter dat de verzekeraar niet rechtstreeks in haar rechten of verplichtingen wordt getroffen door de beslissing en dat het verzoek onvoldoende onderbouwd was om haar als belanghebbende aan te merken. Het hof wees het verzoek daarom af en bevestigde dat alleen degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft, belanghebbende kan zijn in een familiezaak zoals deze.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 1 november 2019 en schriftelijk uitgewerkt op 13 november 2019. Het hof handhaafde daarmee de machtiging aan de wettelijk vertegenwoordiger en verwierp het verzoek van de verzekeraar tot deelname aan de procedure.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de verzekeraar af om als belanghebbende te worden aangemerkt in het hoger beroep tegen de machtiging tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens de minderjarige.