ECLI:NL:GHDHA:2019:3212
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afwijzing nakoming omgangsregeling niet-biologische vader
Partijen waren gehuwd en hebben een minderjarige erkend die niet de biologische zoon is van de man. Er was een zorgregeling vastgesteld bij beschikking van 29 juli 2016, maar na diverse procedures en een gespannen verhouding tussen partijen is de omgang tussen de man en de minderjarige gestagneerd.
De voorzieningenrechter had een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, maar de vrouw stelde dat deze niet in het belang van de minderjarige was en dat de man al lange tijd geen contact had gehad. Het hof liet de bijzondere curator als informant toe en nam diens rapport mee in de beoordeling.
Het hof oordeelde dat de zorgregeling in beginsel nageleefd moet worden, tenzij zwaarwegende redenen anders vereisen. Gezien de gewijzigde omstandigheden, waaronder het contactherstel van de minderjarige met zijn biologische vader en de moeizame communicatie tussen partijen, achtte het hof handhaving van de zorgregeling niet in het belang van het kind.
Daarom vernietigde het hof het bestreden vonnis en wees de vordering van de man tot nakoming van de zorgregeling af. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot nakoming van de omgangsregeling af vanwege gewijzigde omstandigheden en het belang van de minderjarige.