Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 december 2019
[appellant] ,
De Gemeente Zuidplas,
De procedure in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
(…) was [zij] enthousiast over onze plannen om 5 ha glas te bouwen, cq alszijnde 2 x 2,5 ha aan elkaar gebouwd”. Verder verklaart [A] dat hij een week later een gesprek heeft gehad met [Y] “
wat ook positief was omtrent wat daar in het gebied mogelijk was”. [A] heeft zijn verklaring toegelicht tijdens de pleitzitting in hoger beroep. Volgens die toelichting heeft [A] in maart 2005 contact gehad met [X] en heeft [X] toen gezegd dat hij de vergunningaanvraag “
(…) maar gewoon in moest dienen en dat zij dan ging kijken wat ze er mee kon doen (…)”. Nadat de aanvraag was afgewezen heeft [X] volgens [A] geadviseerd om twee vergunningen voor 2,5 ha aan te vragen en een splitsing tussen de twee glastuinbouwbedrijven aan te brengen, net als bij de glastuinbouwbedrijven die eerder op de percelen hadden gestaan. [X] zou toen hebben gezegd dat het dan wel mogelijk zou zijn “
(…)een stapje groter te gaan, zolang de twee bedrijven maar fiscaal, juridisch en administratief zouden zijn gesplitst”.
(…) een positieve intentie [was] uitgesproken om mee te werken aan het project”.
enthousiast” was over de plannen en [Y] “
positief”, maar dat is niet hetzelfde als een toezegging dat een vergunning zal worden verleend. Ook de toelichting van [A] tijdens de pleitzitting duidt niet op een dergelijke toezegging. [V] heeft slechts vernomen dat door de Gemeente een “
positieve intentie” was uitgesproken om mee te werken aan het project. Zelf heeft hij echter van de Gemeente begrepen dat zij wel wilde meewerken aan twee bedrijven van 2,5 ha, maar niet aan één bedrijf van 5 ha. De verklaringen van [A] en [V] waarop [appellant] zich beroept vormen daarom geen onderbouwing van de door [appellant] gestelde toezegging.