Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Spijkenisse Medisch Centrum B.V.,
3. Stichting Het Van Weel-Bethesda Ziekenhuis,
4. Stichting Maasstad Ziekenhuis,
5. [de maatschap 1] ,
6. [naam 1] ,
7. [naam 2] ,
8. [naam 3] ,
9. [naam 4] ,
10. [naam 5] ,
11. [de maatschap 2] ,
1.[geïntimeerde sub 1] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,
verbindt zich tegenover de medisch specialist om overeenkomstig de door de stichting uitgeoefende functie en door de stichting terzake vastgestelde financiële kaders naar vermogen ruimte en outillage en personeel ter beschikking te stellen en hem gelegenheid te verschaffen zijn klinische en poliklinische werkzaamheden in het ziekenhuis te verrichten.”
goodwill” opgenomen. Deze luidt als volgt:
[geïntimeerden] dit aanbod van SMC aanvaard. Zij hebben op basis van deze arbeidsovereenkomsten hun werkzaamheden in het ziekenhuis voortgezet. Deze arbeidsovereenkomsten zijn elk met een jaar verlengd.
1 januari 2015 heeft SMC [geïntimeerden] meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomsten niet verder wenste te verlengen. SMC had inmiddels een advertentie geplaatst voor de werving van drie recent afgestudeerde longartsen in dienstverband. [geïntimeerden] hebben het Scheidsgerecht Gezondheidszorg toen om een voorlopige voorziening gevraagd opdat SMC hun ook na 1 januari 2015 arbeidsovereenkomsten zou aanbieden. Een arbitrageclausule in hun arbeidsovereenkomsten voorzag in deze mogelijkheid. Bij beslissing van 3 november 2014 heeft het Scheidsgerecht Gezondheidszorg deze vorderingen afgewezen.
principaal hoger beroep) verzoeken zij (1) het vonnis van de rechtbank te vernietigen en (2) de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog af te wijzen. Ook vorderen SMC c.s. dat [geïntimeerden] worden veroordeeld in de proceskosten van de procedure(s) bij de rechtbank en dit hof.
incidenteel hoger beroep) verzoeken zij het vonnis van de rechtbank (1) te bekrachtigen voor zover daarin hun vorderingen zijn toegewezen en (2) te vernietigen voor zover hun vorderingen daarin zijn afgewezen, en (3) de afgewezen vorderingen alsnog toe te wijzen. [geïntimeerden] vorderen dat SMC c.s. worden veroordeeld in de proceskosten van de procedure(s) bij de rechtbank en dit hof.
incidentele grief XIIIricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van de vordering die gaat over het niet verlengen van de arbeidsovereenkomsten (de derde vordering). Volgens [geïntimeerden] kan de beslissing om de arbeidsovereenkomsten niet te verlengen niet los worden gezien van het hele feitencomplex. Het is daarom wenselijk dat deze kwestie in een en dezelfde bodemprocedure aan een gerechtelijke instantie kan worden voorgelegd, zodat het risico wordt vermeden dat er bij afzonderlijke behandeling onverenigbare beslissingen worden genomen, aldus [geïntimeerden] Zij vinden dat van hen niet kan worden verlangd dat zij voor een deel van de schade weer bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg terecht zouden komen.
principale grieven I en IIbetogen SMC c.s. dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking die [geïntimeerden] aanspraak geeft op schadevergoeding (art. 6: 212 BW). [geïntimeerden] betogen met de
incidentele grieven I tot en met XIIdat SMC c.s. onrechtmatig ten opzichte van hen hebben gehandeld en daarom schadevergoeding moeten betalen (art. 6:162 BW Pro). Het hof zal al deze grieven gezamenlijk behandelen. De reden daarvoor is dat in de beoordeling van deze grieven een overlap zit. Deze overlap maakt het nodig om een juridische waardering te geven van:
“ruimte en outillage en personeel ter beschikking te stellen”(zie r.o. 1.3.1) om de praktijk te voeren. SMC exploiteert vanaf de doorstart het ziekenhuis op deze locatie, maar was niet bereid met [geïntimeerden] toelatingsovereenkomsten aan te gaan.
incidentele grieven I tot en met XIIfalen om die reden. Daarbij kan ook nog worden betrokken wat hierna is overwogen.
verbeteringvan deze verdienmogelijkheid genieten SMC c.s. een voordeel.
[geïntimeerden] komt. De verarming zou ook hebben plaatsgevonden indien de doorstart achterwege zou zijn gebleven (vgl. HR 2 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9765, NJ 2001/319 (Huisman/Van der Graaf), r.o. 3.4 en 3.5). De enkele omstandigheid dat een doorstart heeft plaatsgevonden en dat patiënten, die [geïntimeerden] daarvóór tot hun praktijk konden rekenen, daarna op dezelfde locatie in het ziekenhuis van SMC zijn behandeld, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat [geïntimeerden] dat risico als het ware op SMC c.s. kunnen afwentelen doordat hun dan wel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toekomt. Ook in dat geval heeft te gelden dat het faillissement voor [geïntimeerden] een risico oplevert dat zij zelf hebben te dragen, en dat de eventuele ‘verrijking’ van SMC c.s. (ten koste van [geïntimeerden] ) geacht moet worden een redelijke grond te hebben.
principale grieven I en IIslagen daarom.
principale grief III. Deze heeft namelijk betrekking op de hoofdelijkheid bij aansprakelijkheid, waarvan hier geen sprake is. Hetzelfde geldt voor de
incidentele grieven XIV tot en met XVI. De
principale grief IVkeert zich tegen het toewijzen van een aantal van de vorderingen van [geïntimeerden] en tegen de proceskostenveroordeling. Het eerste deel van de grief heeft geen zelfstandige betekenis. Het tweede deel slaagt omdat SMC c.s. als de in het principaal hoger beroep in het gelijk gestelde partij ten onrechte in de proceskosten van de procedure bij de rechtbank is veroordeeld.
23 november 2016,
- wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;
- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van SMC c.s. tot op 23 november 2016 begroot op € 285,-- aan griffierecht en € 1.130,-- aan salaris advocaat;
- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van SMC c.s. tot op heden begroot op € 96,57 aan kosten van het appelexploot,
- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van SMC c.s. tot op heden begroot op € 1.074,-- aan salaris advocaat
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
M.H. van der Woude en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.