Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 9 juli 2019
Unigarant N.V.,
[geïntimeerde] ,
Het verloop van het geding
De beoordeling van het hoger beroep
Het geschil en de vorderingen in eerste aanleg
De beoordeling in hoger beroep
Unigarant heeft dat standpunt weersproken, en ter motivering van haar verweer verwezen naar het rapport van haar deskundige Meuwissen, en in hoger beroep aanvullend naar het tweede rapport van Meuwissen. Daarom ligt ter beoordeling voor of Unigarant met de verwijzing naar de rapporten van haar deskundige voldoende gemotiveerd het standpunt van [geïntimeerde] heeft weersproken dat het onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] is te wijten aan haar schuld.
Het hof overweegt daarover het volgende.
Ook dit betoog faalt. Het hof is namelijk van oordeel dat Meuwissen in zijn tweede rapport niet heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] op het moment dat het verkeerslicht voor hem op groen sprong een snelheid van enige betekenis in voormelde zin had. Hij stelt immers in zijn tweede rapport dat in technische zin niet is te bepalen wat zich voorafgaand aan de botsing heeft afgespeeld. Dit geeft volgens Meuwissen ruimte voor andere lezingen, waaronder de stelling dat de motorfiets niet stil heeft gestaan. Wat de snelheid van de motorfiets is geweest, wordt niet gezegd. Daarom heeft Meuwissen in zijn rapport ter beantwoording van de vraag van Unigarant moeten uitgaan van een bepaalde ‘startsnelheid’ van de motorfiets. Hij heeft daarbij gekozen voor drie varianten, namelijk startsnelheden van 10, 20 en 30 km/u, zonder dat is gebleken dat [geïntimeerde] op het moment dat het verkeerslicht voor hem op groen sprong ook daadwerkelijk een (bepaalde) snelheid heeft gehad.
Overigens heeft Meuwissen voor de door hem onderzochte hypothetische situaties van startsnelheden van 10 km/u en 20 km/u geconcludeerd dat [betrokkene 1] nog steeds gedurende 2 seconden [geïntimeerde] heeft kunnen zien voordat zij de afslaande manoeuvre inzette, zodat voor die situaties de conclusie blijft dat (in totaal) ongeveer 4,5 seconden zijn verstreken totdat het ongeval plaatsvond. Alleen in de hypothetische situatie dat [geïntimeerde] een startsnelheid van 30 km/u heeft gehad, zou [betrokkene 1] mogelijk onvoldoende tijd hebben gehad om te voorkomen dat zij haar afslaande beweging zou inzetten, nog daargelaten dat vervolgens nog 2,5 seconden zijn verstreken voordat het ongeval plaatsvond en niet duidelijk is gemaakt dat (en waarom) [betrokkene 1] na het afslaan, toen zij [geïntimeerde] in elk geval heeft kunnen zien, geen noodstop heeft kunnen maken. Zoals volgt uit het voorgaande, kan (bij gebreke van voldoende toelichting aan de zijde van Unigarant) echter al niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] daadwerkelijk een startsnelheid van 30 km/u heeft gehad.
Uit het voorgaande volgt dat grief 2 faalt.