Belanghebbende, een ondernemer voor de omzetbelasting, bracht een bedrag van €7.600 aan omzetbelasting in aftrek dat door de Inspecteur werd gecorrigeerd via een naheffingsaanslag in 2012. Deze naheffingsaanslag werd betaald, maar niet bestreden met bezwaar. Later werd een nieuwe naheffingsaanslag opgelegd over de jaren 2012 tot en met 2014, inclusief een boete en belastingrente.
Belanghebbende verzocht de eerder gecorrigeerde voorbelasting van €7.600 te verrekenen met de nieuwe naheffingsaanslag. Dit verzoek werd door de Inspecteur afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat de naheffingsaanslag van 2012 onherroepelijk vaststaat en dat de rechtbank niet bevoegd is om te oordelen over het verzoek tot ambtshalve vermindering.
In hoger beroep heeft het Gerechtshof het oordeel van de Rechtbank bevestigd. Tijdens de zitting is vastgesteld dat de voorbelasting van €7.600, gezien de btw-omstandigheden in 2010, niet voor aftrek in aanmerking komt. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.