Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van zijn onroerende zaak te Rotterdam, een winkelpand uit 1926, die was vastgesteld op €159.000. In eerste aanleg bij de Rechtbank Rotterdam werd het beroep ongegrond verklaard, mede vanwege een standpuntwijziging van belanghebbende die in strijd was met de goede procesorde.
In hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag bleef het geschil beperkt tot de vraag of de waarde te hoog was vastgesteld. Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende feiten en omstandigheden had ingebracht, waaronder een taxatierapport en een nadere specificatie, die de waardering rechtvaardigen. Belanghebbende leverde geen concreet tegenbewijs en bracht slechts algemene, onsamenhangende en onvoldoende onderbouwde stellingen naar voren.
Het Hof benadrukte dat de waardering als geheel moet worden beoordeeld en niet slechts de afzonderlijke elementen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Ondanks kritiek op het procesgedrag van de gemachtigde van belanghebbende, zag het Hof geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissing van de Rechtbank Rotterdam.