Belanghebbende en zijn broer zijn vennoten in een vennootschap onder firma (vof) die in 2016 gezamenlijk € 119.385 investeerden in bedrijfsmiddelen. Belanghebbende claimde een KIA van € 7.254, terwijl hij in hoger beroep stelde dat de KIA € 15.687 dan wel € 14.505 zou moeten bedragen.
Het geschil betrof de uitleg van artikel 3.41 van de Wet IB 2001, met name of het vaste KIA-bedrag bij investeringen in de derde en vierde schijf per vennoot of per samenwerkingsverband moet worden toegepast. Belanghebbende stelde dat elk lid van de vof recht heeft op het vaste bedrag, terwijl de Inspecteur en Rechtbank het standpunt innamen dat het totale investeringsbedrag bepalend is en de KIA naar rato wordt verdeeld.
Het Hof oordeelde dat de wetgever met lid 3 van artikel 3.41 Wet IB 2001 heeft beoogd te voorkomen dat samenwerkingsverbanden worden bevoordeeld ten opzichte van eenmanszaken of BV’s. De KIA moet daarom worden berekend over het totale investeringsbedrag van de vof en vervolgens verdeeld worden over de vennoten naar hun aandeel. Het standpunt van belanghebbende zou leiden tot ongerijmde resultaten en is niet in overeenstemming met de wetsgeschiedenis.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aanslagen IB/PVV en Zvw werden bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.