Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 2 april 2019
[naam 1] ,
[naam 2] ,
Het verdere verloop van het geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
stillecessie, dat wil zeggen een cessie zonder mededeling aan de debiteur. Van een stille cessie is hier geen sprake, er is immers een mededeling gedaan aan [appellant] .
de verkrijger van de vorderingredelijkerwijs uit de akte kan begrijpen dat zij tot levering is bedoeld (HR 29 juni 2011, NJ 2001/662). Anders gezegd: de akte moet de gegevens te bevatten aan de hand waarvan, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Naar het oordeel van het hof is aan het hiervoor omschreven vereiste voldaan: uit de cessie-akte van 25 juni 2013, in samenhang met de brief van 27 juni 2013 van mr. Habermehl aan [appellant] volgt in voldoende mate dat het ging om een vordering van [naam 3] wegens het onrechtmatig executeren van de bij arrest van 15 mei 2012, verbeterd bij arrest van 18 september 2012, aan [appellant] ten laste van [naam 3] toegewezen proceskosten. Dat het in de akte genoemde concept van de hiervoor genoemde brief van 27 juni 2013 aan [appellant] niet in het geding is gebracht maakt dit niet anders, nu er (ook in aanmerking nemende de betwisting van [appellant] ) onvoldoende aanleiding bestaat te veronderstellen dat er tussen dat concept en de brief zoals op 27 juni 2013 verzonden enig relevant verschil bestond. Hetzelfde geldt voor het feit dat in de cessie-akte wordt gesproken van “het aandeel” van [naam 3] in de over te dragen vordering. Uit de hiervoor genoemde bijkomende stukken wordt voldoende duidelijk dat het gehele bedrag van de proceskostenveroordeling bij [naam 3] is geïnd; dit was bovendien bekend bij zowel [geïntimeerde] als [appellant] . Grief 2 faalt derhalve.
nietheeft ondertekend acht het hof, mede in het licht van de door [naam 3] in eerste aanleg reeds afgelegde getuigenverklaring, onvoldoende onderbouwd en met het oog op de verklaring van 11 december 2013 (zie de voorgaande alinea) ook niet ter zake dienend.
Beslissing
- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, team kanton, locatie Dordrecht van 7 november 2013;
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van dezelfde rechtbank van 13 februari 2014 en 6 november 2014;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 311,- aan griffierecht en € 2.782,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.