Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 23 april 2019
[verzoekster] N.V.,
[verweerder],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het gaat in deze zaak om het volgende. [verweerder] is op 9 februari 2012 betrokken geweest bij een ernstig verkeersongeval, waarbij ook een verzekerde van [verzoekster] betrokken was. [verzoekster] heeft namens haar verzekerde jegens [verweerder] aansprakelijkheid erkend voor de uit het ongeval voor hem voortvloeiende schade. Op 3 oktober 2016 heeft de rechtbank Gelderland onder zaak-/rekestnummer C/05/308630 / HA RK 16-206 tussen partijen op verzoek van [verweerder] in het kader van een voorlopig deskundigenbericht-procedure een beschikking gewezen waarbij [de deskundige] (hierna: [de deskundige]) tot deskundige is benoemd om een verzekeringsgeneeskundig deskundigenbericht uit te brengen. Voorafgaand aan de beschikking van 3 oktober 2016 was tussen [verweerder] en [verzoekster] overeenstemming bereikt over zowel de benoeming van [de deskundige] als over de vraagstelling. Het rapport van het verzekeringsgeneeskundig deskundigenonderzoek van [de deskundige] dateert van 3 maart 2017. In zijn rapport bespreekt [de deskundige] op blz. 14-16 de naar aanleiding van zijn concept-rapport van 23 december 2016 ontvangen reactie van 12 januari 2017 van [verweerder], alsmede de naar aanleiding van zijn concept-rapport van 13 januari 2017 ontvangen reacties van de advocaat en de medisch adviseur van [verweerder] en van de advocaat en de medisch adviseur van [verzoekster].
Grief Iricht zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het verzoek van [verzoekster] in strijd is met de goede procesorde. [verzoekster] stelt voorop dat een op gezamenlijk verzoek uitgebracht of door de rechtbank gelast deskundigenbericht in beginsel het uitgangspunt dient te zijn bij de verdere beoordeling. Er zullen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen de (wijze van totstandkoming van de) rapportage moeten bestaan, om de desbetreffende rapportage terzijde te schuiven. [verzoekster] beroept zich in het bijzonder op twee bezwaren. In de eerste plaats is volgens [verzoekster] duidelijk geworden dat [de deskundige] bij zijn beoordeling uitgaat van een onvoldoende anamnese. [de deskundige] heeft ten onrechte niet meegewogen dat [verweerder] naast het uitvoeren van zijn werkzaamheden als nucleair geneeskundige in het ziekenhuis een postacademische studie heeft afgerond en zijn eigen bedrijf is gestart. Dit ten onrechte, nu dit zonder meer een uitgebreidere cognitieve belastbaarheid van [verweerder] bewijst dan nu in het verzekeringsgeneeskundig rapport door [de deskundige] wordt gehanteerd als uitgangspunt voor de medische beperkingen. In de tweede plaats voldoet volgens [verzoekster] de door [de deskundige] ingevulde functiemogelijkhedenlijst (FML) én zijn omschrijving van de beperkingen niet aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij ontbeert het rapport van [de deskundige] op een drietal punten de benodigde onderbouwing. Zo ontbreekt onderbouwing voor de aanname van [de deskundige] dat [verweerder] zich maar 45 minuten kan concentreren op complexe zaken of geheugenstoornissen heeft waarvoor hij meer moet opschrijven dan een ander. Hetzelfde geldt voor de aanname van [de deskundige] dat [verweerder] alleen maar (voor)gestructureerd werk kan doen. Ten slotte is er geen grond voor het aannemen van fysieke beperkingen als gevolg van de duizeligheid, zoals [de deskundige] ten onrechte doet.