Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 mei 2019
[appellant],
1. [geïntimeerde 1],
2. Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1houdt in dat de rechtbank ten onrechte aan de conclusie dat [appellant] bij het ongeval van 21 juli 2013 inzakkingsfractuurtjes heeft opgelopen, niet de conclusie heeft verbonden dat reeds daaruit volgt dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk is voor de uit het letsel voortvloeiende schade. Volgens [appellant] is voor het veroorzaken van het letsel een ernstige geweldsinwerking nodig geweest. De blootstelling daaraan levert naar zijn aard aansprakelijkheid op. Tevens brengt het letsel volgens [appellant] noodzakelijkerwijs met zich mee dat de bestuurder onvoldoende rekening heeft gehouden met het risico dat in de kracht van de boot gelegen is.
grief 1.
grief 2klaagt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de omkeringsregel toe te passen. [appellant] betoogt dat uit het feit dat hij tijdens de vaartocht zijn rug heeft gebroken, noodzakelijkerwijs voortvloeit dat met het oog op de omstandigheden te hard gevaren is. Hierdoor dient – aldus [appellant] – de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] te worden aangenomen, tenzij tegenbewijs zou worden geleverd dat de bedoelde schade ook zonder de normschending zou zijn ontstaan.
Grief 3strekt ertoe te betogen dat op [geïntimeerden] een verscherpte motiveringsplicht moet worden gelegd, in die zin dat zij omtrent de toedracht van het ongeval zodanige mededelingen dienen te doen dat daaruit met een redelijke mate van zekerheid kan worden opgemaakt dat het ongeval niet het gevolg is van gevaarzetting die het gevolg was van de manier van varen dan wel van het achterwege laten van maatregelen ter voorkoming van ongevallen.
Grief 3slaagt niet.
grief 4op het standpunt dat de rechtbank hem tot deskundigenbewijs had moeten toelaten over de stelling dat sprake is geweest van een geweldsinwerking die naar zijn aard in staat was om het opgetreden letsel te veroorzaken.
Grief 5heeft betrekking op de overwegingen van de rechtbank in rov. 4.16 e.v. over de door [geïntimeerde 1] gegeven waarschuwing voorafgaand aan de vaartocht. [appellant] stelt zich op het standpunt dat in de gegeven omstandigheden [geïntimeerde 1] niet kon volstaan met een waarschuwing, maar dat het gevaar geheel en al vermeden had moeten worden omdat – zo begrijpt het hof [appellant] – passagiers van een RIB een aanzienlijk risico lopen op een inzakkingsfractuur en daarvoor niet gewaarschuwd is.
Grief 6keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat de uitkomst van de beoordeling van artikel 8:974 BW Pro en artikel 8:504 lid 5 BW Pro hetzelfde is. [appellant] acht dit onjuist, omdat onder eerstgenoemde bepaling een forsere limitering van de schade geldt dan onder de andere bepaling. Volgens [appellant] dienen alsnog getuigen te worden gehoord om de exacte vaarroute en de locatie van het ongeval te bepalen.