ECLI:NL:GHDHA:2020:1083
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling loon en kosten executeur in nalatenschap
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van verzoekster tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake de vaststelling van het loon van de executeur in de nalatenschap van erflater.
Erflater was overleden op 12 februari 2015 en had in zijn testament verzoekster en haar broer benoemd tot erfgenamen, met verweerder als executeur. Verweerder had zijn loon als executeur vastgesteld op €6.000,-, bestaande uit kosten voor werkzaamheden, verzorging van de kat, afvoer van inboedel en vervoer van het lichaam.
Verzoekster betwistte deze vaststelling en voerde aan dat de kosten voor de kat niet tot de taken van de executeur behoren en dat er geen onvoorziene omstandigheden waren die een hoger loon rechtvaardigen. Het hof oordeelde dat slechts een beperkte vergoeding voor de verzorging van de kat redelijk was (€100,-), de kosten voor afvoer van inboedel en vervoer van het lichaam werden bevestigd op €400,-, en het loon van de executeur werd vastgesteld op het wettelijke 1% van de nalatenschap (€900,-).
Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover het loon en de kosten betroffen, stelde het totaal vast op €1.400,-, en compenseerde de proceskosten in hoger beroep, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het loon en de vergoeding van de executeur worden vastgesteld op €1.400,-, waarbij de eerdere beschikking wordt vernietigd voor zover het loon en kosten betreft.