Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 juli 2020
[naam vof] V.O.F.,
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“aan te kunnen tonen of zij, als zorgaanbieder Basic Trust Live, werkzaam vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), zouden kunnen voldoen aan de kwaliteitseisen welke in 2013 van toepassing waren.”Als een van de conclusies is opgenomen (pagina 5):
“(…) Na het ontvangen van deze uitwerkingen bleek het heel realistisch zou zijn geweest dat de kwaliteit van [de vof] te verbeteren was op een kort termijn (1 maand). [de vof] kon haar kwaliteit van zorg versterken door keuzes te maken, werkprocessen te beschrijven, concretiseren en implementeren. Daarbij zijn de genoemde verbeterpunten realiseerbaar binnen een maand.”
grief 1voeren [de vof] c.s. aan dat de rechtbank ten onrechte niet voor recht heeft verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld.
Grief 2is gericht tegen het oordeel dat niet van de Staat behoefde te worden verwacht al in de brief van 20 juni 2013 concrete verbetermaatregelen op te nemen.
Grief 3komt op tegen de afwijzing van de gevorderde immateriële schadevergoeding. [de vof] c.s. voeren aan dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gaat dat, indien de Staat de te nemen maatregelen eerder dan bij besluit van 4 oktober 2016 had geconcretiseerd, [de vof] c.s. de tekortkomingen hadden kunnen oplossen.
Grief 4heeft betrekking op het causaal verband tussen de gestelde vermogensschade en de onrechtmatige daad van de Staat. [de vof] c.s. voeren aan dat, indien de Staat tijdig de concrete tekortkomingen had benoemd, zij in staat waren geweest die op korte termijn te verhelpen en de zorgverlening weer op te pakken. Met
grief 5voeren [de vof] c.s. aan dat zij de eerste twee volzinnen van rov. 4.23 niet kunnen volgen, terwijl [de vof] c.s. met
grief 6aanvoeren dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de toerekenbare onrechtmatige daad niet alleen is ontstaan door het onrechtmatige besluit, maar ook door feitelijke handelingen van de Staat.
Grief 7is gericht tegen de afwijzing van de kosten voor het deskundigenonderzoek en
grief 8komt op tegen de proceskostenveroordeling.
(UWV)en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112
(Hengelo/Wevers).
ten tijde vanhet onrechtmatige besluit. Op dat moment beschikte de Staatssecretaris wel over de benodigde bevoegdheden. Dat die bevoegdheden in 2016 niet meer bij de Staatssecretaris lagen, is voor een oordeel over het causaal verband dus niet van belang. Voor zover de grieven 3 en 4 van een ander uitgangspunt uitgaan, falen zij reeds om die reden.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 december 2018;
- veroordeelt [de vof] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 5.382,- aan verschotten en € 19.253,50 aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.