Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 augustus 2020
de Gemeente Den Haag,
Rieff Den Haag B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“Het klopt inderdaad dat op basis van een 5-jarig contract de operatie verliesgevend is. Echter wij vertrouwen erop dat er een mogelijke verlenging van 5 jaar komt. Dit is het ondernemersrisico wat wij willen nemen. (…).”
“datde huurovereenkomst is aangegaan per 1 augustus 2012, voor de duur van 5 jaar, waarna de overeenkomst onherroepelijk eindigt;”
Dit wettelijk mogelijk is.
Er aan de geldende wetgeving wordt voldaan.
Het complex functioneert zonder overlast te geven.
Het de definitieve herontwikkeling van Laakhaven West niet frustreert.
- te verklaren voor recht dat de huurovereenkomsten met betrekking tot de percelen 1 en 2 geëindigd zijn op 31 juli 2017, althans op 31 juli 2018, althans op 5 februari 2019, althans op 31 juli 2019, althans op een in goede justitie te bepalen datum;
- Rieff te veroordelen tot ontruiming van de percelen;
- Rieff te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 74.500,- per jaar, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 31 juli 2017, althans op 31 juli 2018, althans op 5 februari 2019, althans op 31 juli 2019, tot aan de dag van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- Rieff te veroordelen in de kosten van het geding.
Grief 1is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat vast staat dat Rieff het gehuurde met goedvinden van de Gemeente in gebruik heeft gehouden na 31 juli 2017. Met
grief 2komt de Gemeente op tegen het oordeel dat de huurovereenkomsten zijn verlengd voor onbepaalde tijd. De
grieven 3 en 4richten zich tegen het oordeel dat de Gemeente, toen zij de huurovereenkomsten bij brief van 5 februari 2018 heeft opgezegd, een opzegtermijn van 12 maanden tegen zich moest laten gelden. Met
grief 5voert de Gemeente aan dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de voor de huurbetaling overeengekomen dag 1 augustus is, zodat jaarlijks tegen deze dag kan worden opgezegd. Met
grief 6voert de Gemeente aan dat de kantonrechter er ten onrechte vanuit is gegaan dat een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, strijd met opgewekt vertrouwen en ten onrechte afgebroken onderhandelingen van invloed zouden kunnen zijn op de beëindiging van de grondhuurovereenkomst.
Grief 7komt op tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van een bedrag van € 43.458,33 en
grief 8richt zich tot slot tegen de afwijzing van de vordering als zodanig.
met goedvindenvan de verhuurder het gebruik van het gehuurde voortzet. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot dat goedvinden rusten op de huurder. Dat goedvinden kan uitdrukkelijk gegeven zijn maar ook worden afgeleid uit de omstandigheden van een bepaald geval. Het enkele feit dat de verhuurder bekend is met het einde van de huur en niet protesteert tegen het voortgezette gebruik is niet voldoende voor de conclusie dat de verhuurder het voortgezet gebruik goed vindt. Uit omstandigheden kan evenwel, bijvoorbeeld na verloop van tijd, een goedvinden worden afgeleid.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- verklaart voor recht dat de huurovereenkomsten zijn geëindigd op 31 juli 2019;
- veroordeelt Rieff om de percelen met alle personen en goederen voor zover deze laatste niet in eigendom van de Gemeente zijn, binnen twee weken na betekening van dit arrest te ontruimen en ontruimd te houden, en in lege staat ter vrije beschikking van de Gemeente te stellen en te houden;
- veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Rieff tot op 11 december 2018 begroot op € 400,- aan salaris gemachtigde en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Rieff tot op heden begroot op € 2.020,- aan griffierecht en € 1.074,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.