ECLI:NL:GHDHA:2020:1532

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 augustus 2020
Publicatiedatum
21 augustus 2020
Zaaknummer
2200074319
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 lid 2 SvArt. 68 SrArt. 246 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens bestuurlijke boeten inzake verzuim belastingaangifte

In deze strafzaak stond de verdachte terecht wegens het niet tijdig doen van belastingaangiften over de jaren 2014 en 2015, waardoor te weinig belasting zou zijn geheven. De politierechter veroordeelde de verdachte in eerste aanleg tot een taakstraf van 72 uren, subsidiair 36 dagen hechtenis. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Het hof heeft in hoger beroep vastgesteld dat voor dezelfde feiten verzuimboeten zijn opgelegd aan de verdachte voor de aanslagjaren 2014 en 2015. Deze bestuurlijke boeten hebben dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging, zoals bedoeld in artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in samenhang met artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

Op grond van artikel 246, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering leidt dit tot het einde van de strafzaak. Het hof vernietigde daarom het vonnis van de politierechter en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. De zaak werd daarmee definitief beëindigd zonder strafoplegging.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het opleggen van bestuurlijke boeten voor dezelfde feiten.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000743-19
Parketnummer: 83-153440-17
Datum uitspraak: 14 augustus 2020
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 31 juli 2020.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 72 uren, subsidiair 36 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 3 mei 2017, te Den Haag en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting/ Premie volksverzekeringen/Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het/de ja(a)r(en) 2014 en/of 2015, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Den Haag, althans in Nederland, gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.
Vordering advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof heeft vastgesteld dat ‘terzake van de feiten’ die aan de verdachte ten laste zijn gelegd, voor de aanslagjaren 2014 en 2015 aan hem verzuimboeten zijn opgelegd.
Het betreft dezelfde feiten in de zin van artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in samenhang met artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Gelet daarop is sprake van ‘bestuurlijke boeten’ met dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging. Op grond van artikel 246, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering eindigt daardoor de zaak.
Dit brengt mee dat het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,
mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. J.J.H.M. van Gennip, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 augustus 2020.
Mr. J.J.H.M. van Gennip is buiten staat om dit arrest te ondertekenen.