Belanghebbende, een beursgenoteerde concernvennootschap, kende in 2012 en 2013 netto aandelen toe aan leden van haar groepsraad binnen het aandelenplan 2010 en wees deze aan als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling. De Inspecteur volgde deze aanwijzing niet en legde naheffingsaanslagen loonbelasting op. De Rechtbank vernietigde deze aanslagen, maar het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het beroep tegen de aanslag 2012 ongegrond en tegen 2013 gegrond.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Gerechtshof Amsterdam en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van de gebruikelijkheidstoets. Het Hof Den Haag onderzocht of de omvang en aard van de verstrekte aandelen en de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel gebruikelijk waren binnen het concern en bij andere werkgevers.
Uit een representatieve uitvraag onder 88 ondernemingen bleek dat slechts één bedrijf bonussen als eindheffingsbestanddeel aanmeldde, en die waren veel lager dan bij belanghebbende. Binnen het concern van belanghebbende was de toekenning van aandelen exclusief voor groepsraadleden en niet vergelijkbaar met andere werknemers. Het Hof concludeerde dat de gebruikelijkheidstoets niet werd doorstaan en handhaafde de naheffingsaanslag 2013, terwijl het beroep tegen de aanslag 2012 ongegrond werd verklaard.
Belanghebbende trok haar incidenteel hoger beroep voor 2012 in en het Hof wees geen proceskosten toe. De uitspraak bevestigt het belang van een strikte toepassing van de gebruikelijkheidstoets bij aanwijzingen onder de werkkostenregeling, met nadruk op vergelijkbaarheid binnen het concern en met andere werkgevers.