Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 8 september 2020
[verzoekster],
ING Bank N.V.,
Het verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1bestrijdt [verzoekster] het oordeel van de rechtbank dat zij op goede gronden is geregistreerd bij het BKR met een A2-codering. ING had volgens [verzoekster] geen eenzijdige afbouw van het krediet mogen opleggen en had haar vanwege het niet stipt nakomen daarvan niet mogen coderen (het hof begrijpt: registreren in het CKI). Verder had ING het krediet niet ineens mogen opeisen maar rekening moeten houden met de betalingsmogelijkheden van [verzoekster].
Grief 1faalt derhalve.
Grief 2is gericht tegen de door de rechtbank uitgevoerde belangenafweging, die in haar nadeel is uitgevallen.
(…)
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
(…)
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.
Ook als zou worden aangenomen dat [verzoekster] financieel betrouwbaar is, hetgeen door ING wordt betwist, brengt dat niet mee dat het gevaar van overkreditering afwezig is en dat ING mag afzien van registratie overeenkomstig het AR, niet alleen ter bescherming van [verzoekster] maar ook met het oog op de beoordeling door andere aanbieders van de risico’s van kredietverlening aan [verzoekster]. Niet valt in te zien waarom dit buiten de doelstelling van het BKR zou vallen.
Grief 2slaagt niet.
grief 3voert [verzoekster] aan dat de rechtbank in r.o. 4.7 miskent dat [verzoekster] haar woning wil splitsen en daarmee het afgesplitste deel aan de krappe woningvoorraad wil toevoegen, hetgeen een actueel belang is. Verder wil zij, zo voert ze aan, nu haar toekomst regelen. De rechtbank had niet moeten toetsen of dit een uitzonderlijke situatie oplevert maar of verdere registratie nog noodzakelijk is.
grieven 1 tot en met 3brengt mee dat het verzoek van [verzoekster] ook in hoger beroep zal worden afgewezen.
Grief 4betreft de kostenveroordeling. [verzoekster] bepleit dat in dit soort procedures net als in het bestuursrecht een kostenveroordeling aan de zijde van de verzoekende partij achterwege dient te blijven als er geen sprake is van misbruik van procesrecht. De grief faalt. Hoewel de rechter daartoe ingevolge artikel 289 Rv Pro niet verplicht is, pleegt in procedures als de onderhavige wel een kostenveroordeling te worden uitgesproken en ziet het hof geen aanleiding hierover in dit geval anders te oordelen.
Grief 5is een zogenoemde veeggrief, die geen afzonderlijke bespreking behoeft. Ook deze grief faalt.