Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 1 september 2020
geïntimeerde,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
‘1. Vaststellingsovereenkomst
- a) te bepalen dat de woonark ten tijde van de teboekstelling ten name van de man in gezamenlijke onverdeelde eigendom toebehoorde en thans nog behoort aan de man en de vrouw en dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van een voor inschrijving in de openbare registers vatbare notariële akte waarin de hiervoor omschreven rechtstoestand aangaande de woonark kan worden vastgelegd;
- b) de notariële overeenkomst van verdeling en vaststelling van 3 september 2010 te ontbinden en de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een schadevergoeding van € 130.000,- vermeerderd met de wettelijke rente, verminderd met de helft van de nog te realiseren netto verkoopopbrengst van de woonark;
- c) de man te machtigen om zonder medewerking van de vrouw alle handelingen te verrichten die nodig zijn voor de verkoop en levering van de woonark;
- d) de vrouw te veroordelen tot het ontruimen van de woonark;
- e) met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
grief 1betoogt de man dat de rechtbank heeft miskend dat de vordering tot schadevergoeding geen contractuele grondslag heeft maar een wettelijke grondslag, te weten artikel 6:277 van Pro het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Onder verwijzing naar HR 19 mei 1995, NJ 1995/531 vordert de man vergoeding van zijn positief contractsbelang, bestaande uit – zo volgt uit het petitum onder a – het bedrag van € 130.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum dat de vrouw in verzuim is, verminderd met de helft van de bij verkoop van de woonark te realiseten verkoopopbrengst.
grief 2komt de man op tegen de afwijzing van zijn vordering tot ontruiming. Kort gezegd voert de man daarvoor aan dat hij belang heeft bij de gevorderde ontruiming voor het geval de vrouw niet meewerkt aan de bezichtiging van de woonark voor de verkoop en levering ervan leeg en ontruimd. Bij afwijzing van de gevorderde ontruiming zal de man in dat geval opnieuw de medewerking van de vrouw in kort geding moeten vorderen.
grief 3komt de man op tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten tussen partijen te compenseren. De man vordert dat de vrouw in de proceskosten in eerste aanleg en in appel wordt veroordeeld, omdat de woonark door haar toedoen nog niet is verkocht en de man zich genoodzaakt ziet gerechtelijke procedures aanhangig te maken om de medewerking van de vrouw te vorderen.