ECLI:NL:GHDHA:2020:1891
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen uit aannemingsovereenkomst wegens onvoldoende bewijs vaststellingsovereenkomst en meerwerkovereenkomst
Het geschil betreft de afrekening van een verbouwing van de voormalige woning van de appellant en haar toenmalige echtgenoot. De aannemer vordert betaling van twee bedragen op grond van een vaststellingsovereenkomst en een meerwerkovereenkomst die hij stelt met hen te hebben gesloten. De rechtbank veroordeelde de appellant tot betaling van de helft van het gevorderde bedrag.
In hoger beroep heeft het hof het bewijs nader onderzocht, waarbij getuigen zijn gehoord en diverse bewijsopdrachten zijn gegeven. De aannemer kon echter niet aantonen dat de vaststellingsovereenkomst en de meerwerkovereenkomst daadwerkelijk zijn gesloten. De verklaringen van getuigen en partijen boden onvoldoende ondersteuning voor het bestaan van deze overeenkomsten.
Het hof concludeert dat de aannemer geen vorderingen heeft op de appellant op grond van deze afspraken. De eerdere veroordeling wordt vernietigd en de vorderingen worden afgewezen. Tevens wordt de aannemer veroordeeld tot terugbetaling van een eerder ontvangen bedrag en tot betaling van de proceskosten in beide instanties.
Uitkomst: De vorderingen van de aannemer worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en hij wordt veroordeeld tot terugbetaling en proceskosten.