Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 19 mei 2020
[naam] Holding B.V.,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
1.1. [appellante] exploiteert een sauna te [plaatsnaam] . In augustus/september 2013 heeft [geïntimeerde] in opdracht van [appellante] een coating aangebracht op het binnenbubbelbad van de sauna. Deze coating was geleverd door [naam B.V.] Verf B.V. (hierna: [naam B.V.] ).
1.2. In april/mei 2015 heeft [appellante] bobbels of blaasjes in (de wand van) het bubbelbad geconstateerd en contact opgenomen met [naam B.V.] , die op haar beurt contact heeft opgenomen met de leverancier van de coating, De IJssel Coatings B.V. (hierna: De IJssel). Na een gezamenlijke inspectie van het bubbelbad op 4 mei 2017 vond vervolgens op 11 mei 2017 een overleg plaats, waarbij behalve vertegenwoordigers van [appellante] ( [directeur] , directeur), [naam B.V.] (de heer [X] ) en De IJssel (de heer [Y] ) ook [geïntimeerde] aanwezig was. Tijdens dat overleg is geconcludeerd dat de coating niet geschikt was voor warm water en is afgesproken dat De IJssel nieuwe coating zou leveren ter waarde van € 800, dat [naam B.V.] gereedschap zou leveren ter waarde van € 800 en dat [geïntimeerde] de oude coating zou verwijderen en de nieuwe zou aanbrengen.
1.3. [geïntimeerde] heeft op naam van [appellante] bij [naam B.V.] diverse zaken besteld, onder meer een spuitpistool, een stofzuiger, schuurmachines, kwasten en verfbakken. [naam B.V.] heeft voor de geleverde zaken aan [appellante] twee facturen gestuurd, gedateerd 4 juni 2015 respectievelijk 15 juni 2015, van € 4.244,41 respectievelijk € 1.461,47 inclusief BTW. [appellante] heeft deze facturen niet betaald.
1.4. [naam B.V.] heeft [appellante] op 27 oktober 2016 gedagvaard en betaling van de factuurbedragen, vermeerderd met rente en kosten, gevorderd. Aan haar vordering heeft [naam B.V.] ten grondslag gelegd dat door of namens [appellante] producten bij haar zijn besteld en dat [appellante] in verzuim is de facturen daarvoor te voldoen.
1.5. [appellante] heeft bij brief van 3 januari 2017 [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de bedragen die [naam B.V.] aan haar heeft gedeclareerd. [appellante] heeft voorts in de door [naam B.V.] tegen haar aangespannen procedure [geïntimeerde] in vrijwaring opgeroepen.
1.6. Bij brief van 28 december 2018 heeft [appellante] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg een toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] . Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] zijn werkzaamheden aan het bubbelbad op niet-deskundige wijze uitgevoerd, waardoor de blaasjesvorming weer terug is gekomen en op sommige plaatsen de coating afbladdert.
Gelet op de hiervoor onder 5 weergegeven verklaring van [getuige] , in samenhang met de verklaring van [geïntimeerde] , acht het hof bewezen dat is afgesproken dat [appellante] ermee heeft ingestemd dat [geïntimeerde] bij [naam B.V.] de gereedschappen mocht bestellen die nodig waren voor de reparatie van het bubbelbad. [appellante] heeft niet betwist dat [geïntimeerde] alle bij [naam B.V.] bestelde zaken daadwerkelijk heeft gebruikt voor de reparatie van het bubbelbad. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de door [geïntimeerde] bij [naam B.V.] bestelde gereedschappen in de gegeven omstandigheden ook redelijkerwijze nodig waren voor de reparatie van het bubbelbad, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellante] heeft betwist.
(…)
Op enig moment, toen ik met mijn vrouw terugkwam van vakantie, ontving ik twee
(…)
Ik weet niet van andere afspraken tussen [naam B.V.] en mijn man. Het is wel zo dat [naam B.V.] een verfadvies heeft gegeven. Het klopt dat [geïntimeerde] en mijn dochter ook bij ons thuis zijn geweest om over het onderwerp te praten. Toen is gezegd: je kan kopen wat nodig is, maar niet meer dan dat. Dat was ook de bedoeling. Mijn man is niet iemand die zomaar een blanco cheque uitschrijft.
Ook indien op grond van de rapporten van [deskundige] moet worden aangenomen dat de keuze voor een handmatige methode in dit geval beter – goedkoper en niet minder snel – was geweest, kan dit naar het oordeel van het hof niet achteraf aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen. [geïntimeerde] mocht afgaan op het advies van [X] , die hij als deskundig mocht beschouwen. De niet onderbouwde suggestie dat de keuze voor deze methode (mede) is bepaald door [geïntimeerde] , om zichzelf te bevoordelen, is tendentieus en kan gelet op het voorgaande buiten beschouwing blijven. Het hof merkt nog op dat indien, zoals [appellante] kennelijk voor ogen heeft, [geïntimeerde] zou moeten betalen voor de ten behoeve van de reparatie van het bubbelbad van [appellante] aangeschafte en gebruikte materialen, [geïntimeerde] juist zou worden benadeeld.
Beslissing
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, van 17 november 2017 en 1 februari 2019;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 324,-- aan verschotten en € 5.000,-- aan salaris advocaat;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.