Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in het kort geding van 16 juni 2020
HEJA Vastgoed & Ontwikkeling B.V.,
HuurSnel West B.V.,
Het geding
Daarbij is verzocht om behandeling van het hoger beroep met verkorte termijnen als bedoeld in paragraaf 9.1 van het Landelijk procesreglement. Dat verzoek is toegewezen.
Beoordeling van het hoger beroep
(…) verschuldigd is (…), zal de onderhuurder van Huurder (in elk geval omvattende een gerenommeerde uitzendorganisatie van arbeidsmigranten uit de top 10 van Nederland) zich gedurende 5 jaar zich garant stellen ten behoeve (…) van de betalingsverplichtingen die (…) door Huurder zijn aangegaan.”
staat in en garandeert Verhuurder[Heja, toevoeging hof]
dat, uiterlijk op de ingangsdatum van de Huurovereenkomst, een of meerdere gerenommeerde partijen, behorende tot de top 10 van de Nederlandse uitzendorganisaties van arbeidsmigranten, het volledige gehuurde gedurende een periode van vijf (5) of tien (10 jaar) van huurder zullen onderhuren.(…)”
Vordering in eerste aanleg, grondslag en verweer
Volgens Heja heeft HuurSnel – in strijd met Huurovereenkomst 1 – het Gehuurde illegaal onderverhuurd, de huurpenningen niet (tijdig) betaald en zowel de in Huurovereenkomst 1 afgegeven garantie (zie hiervoor, overweging 4) als de Omgevingsvergunning geschonden (dit laatste door meer dan het maximaal aantal toegestane arbeidsmigranten in het Gehuurde te (doen) huisvesten en het hierdoor (doen) veroorzaken van overlast in de buurt).
Hij heeft hiertoe, heel kort gezegd, overwogen dat de vorderingen van Heja moeten worden beoordeeld op grond van Huurovereenkomst 2, omdat het voorwaardelijke karakter hiervan niet aannemelijk is geworden. In Huurovereenkomst 2 was een huurvrije periode (van drie maanden) overeengekomen, waardoor de huurachterstand van Heja – één maand ten tijden van het wijzen van het bestreden vonnis – volgens de voorzieningenrechter geen ontruiming rechtvaardigt.
De door Heja gestelde illegale onderhuur, schending van de garantiebepaling (opgenomen in Huurovereenkomst 1) en schending van de Omgevingsvergunning zijn volgens de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk geworden. Ten aanzien van Omgevingsvergunning heeft de voorzieningenrechter in dit verband geoordeeld dat Heja hiervan de adressant is en dat de vragen, of deze (ook) onderdeel uitmaakt van de Huurovereenkomst 2, en zo ja, of overtreding van de Huurovereenkomst 2 aan Heja kan worden toegerekend, in dit kort geding niet kunnen worden beantwoord.
- primair: ontruiming van het Gehuurde;
- subsidiair: nakoming van artikel 6 van Pro Huurovereenkomst 1 dan wel van Huurovereenkomst 2 (met terhandstelling van een garantie in dit verband), het in overeenstemming brengen van het Gehuurde met de Omgevingsvergunning, alsmede het bepaalde in artikelen 7.21 en 7.22 Bouwbesluit 2012, een en ander met inachtneming van de door de Gemeente aan Heja opgelegde last onder dwangsom;
- primair en subsidiair: betaling van op de datum van het arrest en in de toekomst verschuldigde huurpenningen.
De grieven
Grief 1is gericht tegen de overweging dat HuurSnel volgens Heja ‘toerekenbaar’ tekort is geschoten in haar verplichtingen onder de huurovereenkomst. Heja stelt dat de ‘toerekenbaarheid’ van de door haar gestelde tekortkomingen niet van belang zijn voor de toewijsbaarheid van haar vorderingen.
Grief 2komt op tegen het oordeel dat de vorderingen van Heja niet op grond van Huurovereenkomst 1 moeten worden beoordeeld, omdat het door haar gestelde voorwaardelijk karakter van Huurovereenkomst 2 onvoldoende aannemelijk is geworden. Volgens Heja heeft zij dit voorwaardelijke karakter wel aannemelijk gemaakt, maar heeft de voorzieningenrechter bij de beoordeling van haar stellingen in dit verband de Haviltex-maatstaf onjuist toegepast.
Grief 3is gericht tegen het oordeel dat de omvang van de huurachterstand geen ontbinding rechtvaardigt en - de door Heja gestelde omstandigheid - dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de vorderingen geen aandacht heeft geschonken aan het patroon van te late huurbetalingen (die op zichzelf tezamen volgens Heja al een tekortkoming vormen die ontbinding (en daarmee ontruiming) rechtvaardigt).
Grief 4komt op tegen het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat Heja zich schuldig heeft gemaakt aan illegale onderhuur van het Gehuurde.
Grief 5is gericht tegen het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat HuurSnel de garantiebepaling, inhoudende dat een onderhuurder zich gedurende vijf jaar garant zal stellen voor de huurverplichtingen van HuurSnel, uit artikel 6 van Pro Huurovereenkomst 1 heeft geschonden.
Grief 6komt op tegen de oordelen dat (i) een schending de Omgevingsvergunning niet een overtreding van de bepalingen van de huurovereenkomst betreft, (ii) in dit kort geding niet kan worden beoordeeld of de bepalingen van de Omgevingsvergunning (indirect) onderdeel uitmaken van de huurovereenkomst en (iii) of een eventuele schending van de Omgevingsvergunning aan Heja valt toe te rekenen.
Grief 7komt op tegen de overweging dat de feiten onvoldoende vast staan om vooruit te kunnen lopen op de uitkomst van een bodemprocedure over de ontbinding van de huurovereenkomst.
Grief 8is gericht tegen de afwijzing van de subsidiaire vorderingen.
primairontruiming van het Gehuurde en
subsidiaireen rechtelijk bevel om (bepalingen uit) de tussen partijen van toepassing zijnde huurovereenkomst na te komen.
Aan deze vorderingen legt Heja vier door haar gestelde tekortkomingen HuurSnel ten grondslag.
HuurSnel voert aan dat Heja – in strijd met haar verplichtingen uit Huurovereenkomst 1 en 2 – vanaf de aanvang van de huurrelatie niet in staat is gebleken het (legaal) mogelijk te maken om 272 bedden in het Gehuurde te verhuren, omdat op grond van de Omgevingsvergunning slechts 148 bedden in het Gehuurde mogen worden verhuurd. Daarnaast stelt HuurSnel dat Heja het Gehuurde in strijd met de Omgevingsvergunning illegaal heeft verbouwd.
Het beroep door HuurSnel op artikel 6:58 BW Pro faalt vanwege de omstandigheid dat zij niet heeft gesteld van welke concrete verbintenis Heja de nakoming verhindert. Het beroep op artikel 6:266 BW Pro wordt verworpen, omdat Heja terecht heeft aangevoerd dat HuurSnel op grond van de Algemene Bepalingen (die zowel in Huurovereenkomst 1 als 2 van toepassing zijn verklaard) niet gerechtigd is om haar verplichtingen op te schorten.
Het hof oordeelt daarom (voorshands) dat geen sprake is van schuldeisersverzuim en HuurSnel haar verplichtingen onder de toepasselijke huurovereenkomst niet rechtsgeldig heeft kunnen opschorten.
gestelde tekortkoming 2: wanbetaling
Voor de periode oktober 2020 tot en met mei 2020 heeft Heja onbetwist gesteld dat de huurbetalingen niet tijdig zijn gedaan. Het hof verwerpt het beroep van HuurSnel op overmacht in verband met het coronavirus (art. 6:75 BW Pro), omdat betalingen ook voor het intreden van laatstgenoemd virus structureel te laat werden verricht.
gestelde tekortkoming 3: illegale onderhuur:
HuurSnel verhuurt het Gehuurde onder aan haar moedervennootschap HuurSnel B.V. (geen uitzendbureau) en schiet daardoor volgens Heja te kort in deze uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenis. Hierbij wijst Heja er nog op dat ook HuurSnel B.V. zelf het Gehuurde niet onderverhuurt aan een uitzendbureau, maar slechts aan twee huur-/vastgoedvennootschappen die op hun beurt weer gelieerd zijn aan twee uitzendbureaus (waarvan Heja bovendien bestrijdt dat deze behoren tot de top-10 van uitzendbureaus voor migranten zoals bedoeld in artikel 6).
Volgens het hof kan hierdoor evenmin worden vastgesteld of het handelen van HuurSnel strijd oplevert met goed huurderschap, de Algemene Bepalingen, het Bouwbesluit en/of de Wabo. HuurSnel heeft betwist dat de arbeidsmigranten op dit moment nog overlast en/of hinder veroorzaken. Ten aanzien van de door de Gemeente in het verleden vastgestelde overlast en vervuiling (rondom het Gehuurde) geldt bovendien dat deze niet door HuurSnel is veroorzaakt, maar door de migranten die in het Gehuurde gehuisvest zijn, terwijl onbehoorlijk beheer door haar niet aannemelijk is geworden. Zou dit laatste als tekortkoming van HuurSnel zou moeten worden aangemerkt, is het daarom mede de vraag (in het licht van de hierna vermelde maatstaven) of deze tekortkoming van voldoende gewicht is om op grond hiervan in kort geding vooruit te kunnen lopen op een eventuele bodemprocedure.