Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van de meervoudige kamer van 11 november 2020
- [naam 2] ,
hierna: de ouders,
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten,
Gerechtshof Den Haag
Op 21 november 2019 overleed de erflater met laatstelijk verblijfplaats in Nederland, zonder uiterste wil. De minderjarige erfgenaam woont in de Verenigde Staten. De ouders, als wettelijke vertegenwoordigers, vroegen in eerste aanleg machtiging om de nalatenschap namens de minderjarige te verwerpen. De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd vanwege gebrek aan internationale bevoegdheid volgens artikel 5 Rv Pro.
In hoger beroep stelden de ouders dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is op grond van de Europese Erfrechtverordening, maar het hof kwalificeerde het verzoek als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid, waarop de Brussel II bis-Verordening van toepassing is. Aangezien de minderjarige in de VS woont en geen nauwe band met Nederland heeft, ontleent de Nederlandse rechter geen bevoegdheid aan Brussel II bis.
Omdat de VS geen partij is bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, bepaalt artikel 5 Rv Pro dat de Nederlandse rechter in uitzonderlijke gevallen bevoegd kan zijn. Het hof oordeelt dat de verbondenheid met de Nederlandse nalatenschap en het negatieve saldo voldoende aanknopingspunten bieden voor rechtsmacht.
Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en verleent de ouders machtiging om namens de minderjarige de nalatenschap te verwerpen, verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en baseert zich daarbij op artikel 4:193 BW Pro en artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Uitkomst: Het hof verleent machtiging aan de ouders om namens de minderjarige de nalatenschap te verwerpen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.