ECLI:NL:HR:2007:AZ7772
Hoge Raad
- Cassatie
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- W.D.H. Asser
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang na afloop ondertoezichtstelling
Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming stelde de rechtbank Utrecht het minderjarige kind van de moeder op 2 juni 2005 voor een jaar onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht. De uitvoering van de maatregel werd opgedragen aan de Willem Schrikker Stichting Jeugdreclassering en Jeugdbescherming. De moeder stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat de beschikking van de rechtbank op 22 juni 2006 bekrachtigde.
De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof. De Raad voor de Kinderbescherming diende geen verweerschrift in. De Advocaat-Generaal adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad oordeelde dat nu de ondertoezichtstelling op 2 juni 2006 was geëindigd, de moeder geen belang meer had bij haar cassatieberoep. Daarom werd zij niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast merkte de Hoge Raad op dat niet was vastgesteld waar het kind verbleef ten tijde van het verzoek en het hoger beroep, waardoor niet was komen vast te staan dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Hierdoor had het hof onterecht geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd was, aangezien op grond van art. 5 Rv Pro. alleen rechtsmacht bestaat indien het kind in Nederland verblijft. Buiten de toepassing van de Verordening Brussel II-bis en het Haagse Kinderbeschermingsverdrag heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht in dergelijke zaken.
De Hoge Raad sprak de beschikking uit op 27 april 2007 en verklaarde de moeder niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de moeder niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang na afloop van de ondertoezichtstelling.