Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 november 2020
[appellant] ,
[geïntimeerde] ,
Het verdere geding
Beoordeling van het hoger beroep
eerstegrief heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een geschil over de huurprijs. De
tweedegrief is gericht tegen het oordeel dat [appellant] zelf onduidelijkheid heeft laten bestaan over zijn hoedanigheid van verhuurder en tegen het oordeel dat [appellant] betrokken is geweest bij de procedure bij de Huurcommissie. Volgens de
derdegrief heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [geïntimeerde] voldoende financiële waarborg biedt om aan zijn huurbetalingen te voldoen. In de
vierdegrief wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat de grond zoals bedoeld in artikel 7:269 lid 2 onder Pro c BW niet van toepassing is.
Grief 5komt op tegen het oordeel dat de huurachterstand van [geïntimeerde] geen wanprestatie oplevert die ontbinding rechtvaardigt. Met de
zesdegrief wordt geklaagd over de afwijzing van wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
Grief 7is gericht tegen de proceskostencompensatie.
Beslissing
opnieuw rechtdoende: