In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hypotheekfraude heeft het hof het eerdere vonnis vernietigd. De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie betrof een bedrag van circa €872.000, dat later werd bijgesteld. Het hof heeft de kinderopvangtoeslag buiten beschouwing gelaten op verzoek van de advocaat-generaal en de verdediging.
Het hof heeft de bewijsoverwegingen van de rechtbank overgenomen en geoordeeld dat de bedragen op rekeningen die onder controle van de betrokkene stonden, als wederrechtelijk verkregen voordeel aan hem kunnen worden toegerekend, ook al werden deze contant opgenomen. Kosten die de betrokkene stelde te hebben gemaakt, werden niet aannemelijk geacht, met uitzondering van een forfaitaire post van €3.500 per pand.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt uit op €748.000. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar in eerste aanleg en bijna twee jaar in hoger beroep, heeft het hof de betalingsverplichting met €10.000 gematigd tot €738.000. De betrokkene wordt verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, met een gijzelingstermijn van 365 dagen.