Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 11 februari 2020
[appellante],
STICHTING WOONBRON,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
A.Inleiding
- Ubedraagt:NEGEN EN ZESTIG DUIZEND ZEVEN HONDERD VIJFTIG EURO (€ 69.750,00);
- T1bedraagt:DRIE EN NEGENTIG DUIZEND EURO (€ 93.000,00);
- X %bedraagt: vijftig procent (50%).
OpMaat heeft met de Autoriteit Consument en Markt (ACM) overlegd over de informatie voor consumenten op haar website. Naar de mening van de ACM kon uit die informatie de indruk ontstaan dat de prijsverlaging die bij verkoop wordt verstrekt, nooit meer hoeft te worden verrekend. Dit zou vooral worden veroorzaakt door het gebruik van de term ‘korting’ (…). In het overleg met de ACM heeft OpMaat onderkend dat de informatie op haar website nog duidelijker kan.’ In de herziene informatiefolder van Stichting OpMaat van 1 februari 2017 is op de eerste pagina opgenomen: ‘
Als u op termijn besluit te verhuizen, bent u er zeker van dat de corporatie of ontwikkelaar de woning van u terugkoopt. U ontvangt dan de koopprijs die u bij de aankoop hebt betaald plus of min een deel van de waardeontwikkeling. Dit houdt in dat bij de terugkoop de oorspronkelijk prijsverlaging wordt verrekend.’
- Uitgifteprijs (oorspronkelijke verkoopprijs) (U) € 69.750,-
- Waarde-effect verbeteringen Staat van de Woning (S) € 5.000,-
- Aandeel Erfpachter/bewoner in de waardeontwikkeling
- primair: voor recht te verklaren dat [appellante] heeft gedwaald als bedoeld in artikel 6:228 jo Pro. 6:74 BW bij het sluiten van de koopovereenkomst met betrekking tot de Koopgarantwoning aan de [adres] in 2012 en Woonbron te veroordelen tot vergoeding van de door [appellante] als gevolg van voormelde dwaling en tekortkoming geleden schade ter opheffing van het nadeel dat [appellante] door de dwaling geleden heeft, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- subsidiair: voor recht te verklaren dat Woonbron toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de in november 2012 gesloten koopovereenkomst en uit dien hoofde verplicht is de schade van [appellante] te vergoeden, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- meer subsidiair: voor recht te verklaren dat de schade die [appellante] door het handelen van Woonbron lijdt op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid voor rekening van Woonbron komt, met de verplichting deze schade aan [appellante] te vergoeden, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- uiterst subsidiair: voor recht te verklaren dat Woonbron jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld, met de verplichting de door [appellante] hierdoor geleden schade te betalen, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
eerste griefvan [appellante] is gericht tegen de onvolledige en onjuiste feitenweergave door de rechtbank. Het beroep van Woonbron op niet-ontvankelijkheid van de grief, omdat deze niet aan de daaraan te stellen eisen zou voldoen, wordt verworpen. Voor zover het beroep op niet ontvankelijkheid door Woonbron ziet op de gehele memorie van grieven, zal het hof dit niet toewijzen omdat de grieven voldoende helder en duidelijk door [appellante] naar voren zijn gebracht.
derde griefverzet [appellante] zich tegen de verwerping van haar beroep op dwaling. Volgens [appellante] heeft zij wel degelijk gedwaald bij het aangaan van de koopovereenkomst in 2012 en zij beroept zich hierbij op artikel 6:228 lid 1 sub a en Pro b BW. De dwaling bestaat erin dat Woonbron geen volledige en geen volledig juiste uitleg heeft gegeven aan [appellante] over 1) de koperskorting en 2) de taxaties. [appellante] ging ervan uit dat zij een korting van 25% ontving en dat dit een daadwerkelijke onvoorwaardelijke prijsreductie zou inhouden, die niet zou worden verrekend bij de terugkoop. Ten tweede is [appellante] onjuist voorgelicht over de taxatie en stelt zij dat de taxatie bij uitgifte ondeskundig en onjuist is vastgesteld. De waardedaling die blijkt uit de taxaties kan niet juist zijn geweest als wordt gekeken naar het moment van aankoop (2012), het moment van verkoop (2017) en de waardeontwikkeling op de woningmarkt. Gelet op het beroep van [appellante] op de geschillenregeling en een drietal taxateurs die in 2017 een taxatie hebben gedaan, moet de taxatie bij uitgifte te hoog zijn geweest.
De terugkoopprijs zal gelijk zijn aan de oorspronkelijk door de particuliere koper betaalde koopprijs vermeerderd respectievelijk verminderd met het aandeel van de particuliere koper in de positieve respectievelijk negatieve waardeontwikkeling van het appartement.’Daarmee wordt voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht dat de aankoopprijs als uitgangspunt dient bij de bepaling van de terugkoopsom. Het hof deelt daarom niet de mening van [appellante], dat de uitkomst van te berekenen terugkoopsom van tevoren niet duidelijk genoeg was. Zowel in de koopovereenkomst als in de akte uitgifte erfpacht zijn de getallen die behoren bij U, T1 en X vastgelegd in F.3 respectievelijk in B.2. Logischerwijze ontbreken in de formule de getallen die behoren bij T2 en S, te weten de taxatiewaarde en de verbeteringen ten tijde van het moment van verkoop, omdat deze waarden op het moment van verkoop nog onbekend waren. Indien het [appellante] niet duidelijk was wat er precies stond in de koopovereenkomst, of indien zij de formule niet begreep, was het aan [appellante] om hierover vragen te stellen of informatie in te winnen bij de betrokken deskundigen, zoals de makelaar of notaris.
Grief 9faalt derhalve.
Grief 4houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Volgens [appellante] mocht zij redelijkerwijs ervan uitgaan dat zij een daadwerkelijke koperskorting kreeg, die zou doorwerken bij terugverkoop van de woning. Nu blijkt dat dit niet het geval is, is er sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, waardoor [appellante] schade lijdt. Woonbron heeft daartegen aangevoerd dat in de toelichting in deze grief niets staat dat door [appellante] niet eerder is aangevoerd.
vijfde griefvan [appellante] houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de terugkoopformule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. De rechtbank onderbouwt haar afwijzende standpunt vrijwel niet. [appellante] is gebrekkig voorgelicht en verwijst naar hetgeen zij in grief 3 naar voren heeft gebracht. Woonbron stelt dat [appellante] niet aangeeft waarom de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [appellante] heeft de woning gekocht tegen 75% van de marktwaarde en [appellante] heeft de helft van de waardedaling voor haar rekening genomen. Dit is volgens Woonbron een buitengewoon aanvaardbare constructie.
Grief 6is gericht tegen rechtsoverweging 5.9 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van onrechtmatige daad. [appellante] mocht op grond van de contractstukken een onvoorwaardelijke koperskorting en een deugdelijke taxatie verwachten. Doordat Woonbron haar mededelingen en afspraken niet is nagekomen is er sprake van een doen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
zevende griefvan [appellante], die zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een zorgplicht aan de zijde van Woonbron, slaagt niet. Woonbron heeft geen lening of een krediet verstrekt, er is geen sprake van een financieel product in de zin van artikel 1:1 van Pro de Wft. Daarnaast is er geen sprake van een adviesrelatie: Woonbron heeft geen opdracht aanvaard van [appellante] en er is niet voldaan aan de definitie van adviseren zoals is neergelegd in artikel 1:1 Wft Pro.
grief 8faalt.