ECLI:NL:GHDHA:2020:721
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vonnis wegens nietigheid onderzoek eerste aanleg door ontbreken kennisgeving raadsman
In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2016 is vastgesteld dat de verdachte noch een gemachtigd raadsman bij de terechtzitting in eerste aanleg is verschenen. De verdediging stelde dat de zaak ten onrechte bij verstek was behandeld, omdat de raadsman niet op de hoogte was gebracht van de zitting, ondanks dat hij als raadsman aan de verdachte was toegevoegd.
Het hof heeft onderzocht of aan de raadsman een afschrift van de inleidende dagvaarding was gezonden conform artikel 48 Sv Pro. Uit het dossier bleek dat dit niet het geval was en dat de raadsman niet op de hoogte was van datum en tijdstip van de terechtzitting. De enkele aantekening op de dagvaarding volstond niet als bewijs van kennisgeving.
Gelet op de kernroljurisprudentie en de uitbreiding van artikel 423 lid 2 Sv Pro, oordeelt het hof dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is. Daarom wordt het vonnis vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam om het onderzoek voort te zetten met inachtneming van de juiste procedure.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank wegens nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg door ontbrekende kennisgeving aan de raadsman.